Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:96
2018-01-26
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/03083
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:96 → ECLI:NL:GHDHA:2017:1450 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Dwangsom, art. 4.17, lid 3, Awb, ten onrechte onbehandeld gelaten maar kansloze stelling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (26)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2468 Rechtbank Noord-Nederland 23-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2468 Rechtbank Noord-Nederland 23-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2469 Rechtbank Noord-Nederland 23-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2058 Gerechtshof Den Haag 02-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:980 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6984 Rechtbank Midden-Nederland 19-11-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6984 Rechtbank Midden-Nederland 19-11-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:440 Rechtbank Noord-Nederland 21-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2152 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2152 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8780 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1517 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1303 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-02-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2022:8210 Rechtbank Amsterdam 29-11-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4743 Rechtbank Noord-Nederland 05-11-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4740 Rechtbank Noord-Nederland 05-11-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4741 Rechtbank Noord-Nederland 05-11-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4742 Rechtbank Noord-Nederland 05-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5433 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-10-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1276 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-04-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4096 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:9473 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:9069 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-11-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2192 Gerechtshof Den Haag 10-07-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3100 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-04-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:971 Gerechtshof Amsterdam 12-03-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (3.306 tekens)
26 januari 2018
nr. 17/03083
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 mei 2017, nr. BK-16/00493, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 16/1275) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikking) en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) van de gemeente Lansingerland voor het jaar 2015 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 26 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB.
2.1.2.
Bij brief van 7 januari 2016 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.
2.1.3.
Met dagtekening 18 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren, naar later bleek ten onrechte, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
2.1.4.
Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat hij recht heeft op toekenning van een dwangsom omdat de in 2.1.3 genoemde beslissing zeer onzorgvuldig is genomen en daarom niet kan worden opgevat als een uitspraak op bezwaar. Het Hof heeft die stelling niet behandeld. Daartegen richt zich de eerste klacht.
2.2.
De klacht wordt terecht voorgesteld omdat het Hof deze stelling niet onbesproken had mogen laten. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden. De heffingsambtenaar heeft binnen de in artikel 4:17, lid 3, van de Awb genoemde termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraken op bezwaar gedaan zodat hij geen dwangsom verschuldigd is geworden.
In het midden kan blijven of de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat ook een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar moet worden aangemerkt als een beschikking in de zin van laatstgenoemde wetsbepaling.
2.3.
De tweede klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.
nr. 17/03083
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 mei 2017, nr. BK-16/00493, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 16/1275) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikking) en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) van de gemeente Lansingerland voor het jaar 2015 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 26 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB.
2.1.2.
Bij brief van 7 januari 2016 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.
2.1.3.
Met dagtekening 18 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren, naar later bleek ten onrechte, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
2.1.4.
Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat hij recht heeft op toekenning van een dwangsom omdat de in 2.1.3 genoemde beslissing zeer onzorgvuldig is genomen en daarom niet kan worden opgevat als een uitspraak op bezwaar. Het Hof heeft die stelling niet behandeld. Daartegen richt zich de eerste klacht.
2.2.
De klacht wordt terecht voorgesteld omdat het Hof deze stelling niet onbesproken had mogen laten. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden. De heffingsambtenaar heeft binnen de in artikel 4:17, lid 3, van de Awb genoemde termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraken op bezwaar gedaan zodat hij geen dwangsom verschuldigd is geworden.
In het midden kan blijven of de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat ook een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar moet worden aangemerkt als een beschikking in de zin van laatstgenoemde wetsbepaling.
2.3.
De tweede klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.