Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:591
2018-04-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/04502
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:591 → ECLI:NL:GHSHE:2017:3642
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (9)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1797 Gerechtshof Den Haag 06-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2633 Gerechtshof Den Haag 24-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:6045 Rechtbank Den Haag 28-06-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1404 Gerechtshof Den Haag 15-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1407 Gerechtshof Den Haag 15-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1406 Gerechtshof Den Haag 15-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1405 Gerechtshof Den Haag 15-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3713 Gerechtshof Den Haag 28-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:8361 Rechtbank Den Haag 01-06-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (1.552 tekens)
13 april 2018
Nr. 17/04502
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 augustus 2017, nr. 16/03452, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/1837) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.
Nr. 17/04502
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 augustus 2017, nr. 16/03452, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/1837) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.