Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2018:2195

2018-11-27 Strafrecht 17/04381
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2018-11-27
Publicatiedatum
2018-11-27
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Herziening
Zaaknummer
17/04381
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2018/1345 | SR-Updates.nl 2019-0045

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Herziening. Aanvraag gericht tegen 5 veroordelingen t.z.v. opiumwetdelicten. Aangevoerd wordt dat sprake is geweest van persoonsverwisseling, aangezien andere persoon zich meermalen (o.m. in gevallen waarin hij in aanraking komt met justitie) heeft bediend van persoonsgegevens van aanvrager. HR: Hetgeen in CAG is vermeld, geeft steun aan stelling waarop aanvraag berust, te weten dat in zaken die hebben geleid tot de uitspraken waarvan herziening is gevraagd sprake is geweest van persoonsverwisseling. CAG: Stelling dat sprake is geweest van persoonsverwisseling kan in het licht van in aanvraag aangevoerde, met bijlagen onderbouwde argumenten worden beschouwd als gegeven dat bij onderzoek ttz. aan rechter niet bekend was en dat op zichzelf of i.v.m. vroeger geleverde bewijzen met uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat ernstig vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, onderzoek zaak zou hebben geleid tot vrijspraak (art. 457.1.c Sv). HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaken naar Hof. Vervolg op 02012/07 (niet gepubliceerd, geen middelen ingediend).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.616 tekens)
27 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/04381 H

Hoge Raad der Nederlanden


Arrest



op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan
a. vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Haarlem van 14 juni 2004, nummer 15/120011-04 (hierna: zaak A);
b. vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam van 10 januari 2005, nummer 13/601974-04 (hierna: zaak B);
c. arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 september 2006, nummer 23/005574-05 (hierna: zaak C);
d. vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Haarlem van 8 september 2009, nummer 15/668178-07 (hierna: zaak D);
e. arrest van het Gerechtshof te Amsterdam 16 december 2011, nummer 23/001888-11 (hierna: zaak E),
ingediend door G.A. Jansen en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, namens:




[aanvrager]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.



1 De uitspraken waarvan herziening is gevraagd


De Politierechter in de Rechtbank Haarlem heeft de aanvrager in zaak A ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
De Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam heeft de aanvrager in zaak B ter zake van overtreding van "APV94-AMSTERDAM 2.3/2" veroordeeld tot een geldboete van € 138,-, subsidiair 2 dagen hechtenis.
Het Hof Amsterdam heeft de aanvrager in zaak C in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 5 oktober 2005 - ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren.
De Kantonrechter in de Rechtbank Haarlem heeft de aanvrager in zaak D ter zake van "Overtreding van art. 27 lid 1 Wet Wapens en Munitie" veroordeeld tot een geldboete van € 75,-, subsidiair 1 dag hechtenis.
Het Hof Amsterdam heeft de aanvrager in zaak E in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 19 april 2011 - ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven.



2De aanvraag tot herziening

2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.



2.2.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwisseling.





3De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de zaken zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden berecht en afgedaan op de wijze als in art. 472, tweede lid, Sv is voorzien.




4Beoordeling van de aanvraag

4.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.



4.2.
Hetgeen door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie is vermeld, geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling.



4.3.
Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter in de Rechtbank Haarlem (zaak A), de Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam (zaak B), het Gerechtshof Amsterdam (zaken C en E) en de Kantonrechter in de Rechtbank Haarlem (zaak D), waren zij hiermee bekend geweest, de aanvrager van het hem in die zaken tenlastegelegde zouden hebben vrijgesproken.





5Slotsom
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.




6Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de onder 1 vermelde vonnissen en arresten;
verwijst de zaken naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaken op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zullen worden berecht en afgedaan.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018.