Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:2022
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:2022 → ECLI:NL:PHR:2018:532
Inhoudsindicatie
Verduistering door gelden van investeerders bestemd voor bouwprojecten over te maken naar eigen bankrekening, art. 321 Sr. 1. Bewijs wederrechtelijke toe-eigening en opzet. 2. Strafmotivering. 3. HR ambtshalve: Onderzoek naar verjaring als grond voor verval van recht tot strafvordering en deswege niet-ontvankelijkheid OM in vervolging, art. 348, 349.1, 358.3 en 359.2 Sv. Ambtshalve beoordeling door HR? Ad 1. en 2. HR: art. 81.1 RO. Ad 3. Het recht tot strafvordering wegens verjaring vervalt zowel indien termijn van verjaring is vervuld voor aanvang van geding als indien zij tijdens loop van geding is vervuld. Dit brengt mee dat zowel rechter in e.a. en die in h.b. als die in cassatie in bepaalde gevallen onderzoek behoort te doen naar mogelijke niet-ontvankelijkheid OM in vervolging wegens verjaring en daarvan in zijn uitspraak dient te doen blijken. In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat verjaring reeds voor indienen van schriftuur was voltooid en cassatieschriftuur niet klacht bevat dat rechter onderzoek naar niet-ontvankelijkheid OM in vervolging wegens verjaring heeft miskend. Wel zal HR ambtshalve ingrijpen ingeval termijn van verjaring is vervuld tussen indiening van schriftuur en uitspraak van arrest omdat in dat geval niet bij wege van middel van cassatie beroep kon worden gedaan op alsnog intreden van niet-ontvankelijkheid OM in vervolging. HR zal daarom vraag laten rusten of i.c. verjaring voor indienen van schriftuur was voltooid.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (56)
- ECLI:NL:PHR:2026:514 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:514 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:514 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:529 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:447 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:426 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:481 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:345 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:344 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:343 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:524 Parket bij de Hoge Raad 13-05-2025
- ECLI:NL:HR:2025:532 Hoge Raad 08-04-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1774 Hoge Raad 29-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1063 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:850 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2024
- ECLI:NL:HR:2024:508 Hoge Raad 02-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:208 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1103 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19572 Rechtbank Den Haag 24-07-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:926 Gerechtshof Den Haag 25-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:448 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:755 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:667 Parket bij de Hoge Raad 05-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:548 Parket bij de Hoge Raad 14-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:354 Parket bij de Hoge Raad 12-04-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:13842 Rechtbank Den Haag 15-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:13842 Rechtbank Den Haag 15-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:959 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:696 Parket bij de Hoge Raad 11-05-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:621 Parket bij de Hoge Raad 11-05-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:235 Parket bij de Hoge Raad 09-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:380 Parket bij de Hoge Raad 02-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1573 Gerechtshof Den Haag 01-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:729 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6330 Rechtbank Den Haag 08-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6330 Rechtbank Den Haag 08-07-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:460 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2020
- ECLI:NL:HR:2020:839 Hoge Raad 12-05-2020
- ECLI:NL:HR:2020:838 Hoge Raad 12-05-2020
- ECLI:NL:HR:2020:840 Hoge Raad 12-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:255 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:207 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:198 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:193 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:193 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:194 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:198 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:194 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1255 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1295 Parket bij de Hoge Raad 29-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:982 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:213 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1388 Parket bij de Hoge Raad 18-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1395 Parket bij de Hoge Raad 18-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1388 Parket bij de Hoge Raad 18-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1191 Parket bij de Hoge Raad 06-11-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.929 tekens)
Strafkamer
nr. S 16/05586
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2016, nummer 22/003161-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.1.
Ingevolge art. 348 Sv behoort de rechter onderzoek te doen naar de geldigheid van de dagvaarding, zijn bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en het bestaan van redenen voor schorsing der vervolging. Uit het vonnis of arrest behoeft echter slechts dan te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, indien
( a) op de voet van art. 349, eerste lid, Sv de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging of de schorsing der vervolging wordt uitgesproken, aangezien een dergelijke beslissing op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv met redenen moet zijn omkleed;
( b) in strijd met een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349, eerste lid, Sv niet wordt toegepast, aangezien op grond van art. 358, derde lid, Sv in het vonnis of arrest bepaaldelijk een beslissing dient te worden gegeven omtrent zo een verweer, welke beslissing eveneens op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv met redenen moet zijn omkleed;
( c) de beslissing afwijkt van een door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in art. 348 Sv, aangezien op grond van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv in het vonnis of het arrest in het bijzonder de redenen dienen te worden gegeven die daartoe hebben geleid;
( d) uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig, de rechter onbevoegd of het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is dan wel redenen voor schorsing van de vervolging bestaan, en niet een zodanige beslissing wordt gegeven.
3.2.
Zulks geldt derhalve ook voor het onderzoek naar de verjaring als grond voor het verval van het recht tot strafvordering en deswege de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
3.3.
Het recht tot strafvordering wegens verjaring vervalt zowel indien de termijn van verjaring is vervuld voor de aanvang van het geding als indien zij tijdens de loop van het geding is vervuld. Dit brengt mee dat zowel de rechter in eerste aanleg, als die in hoger beroep als die in cassatie in de hiervoren onder 3.1 omschreven gevallen onderzoek behoort te doen naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens verjaring en daarvan in zijn uitspraak dient te doen blijken.
3.4.
In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter hetgeen hiervoren onder 3.1 is overwogen, heeft miskend. Wel zal de Hoge Raad ambtshalve ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van het arrest omdat in dat geval niet bij wege van een middel van cassatie beroep kon worden gedaan op het alsnog intreden van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
3.5.
De Hoge Raad zal daarom de vraag laten rusten of in het onderhavige geval de verjaring voor het indienen van de schriftuur was voltooid.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018.