Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:17
2018-01-09
Strafrecht
16/03274
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:17 → ECLI:NL:PHR:2017:1403 gevolgd
Inhoudsindicatie
Opzettelijk aanwezig hebben van heroïne. Verbeurdverklaring inbeslaggenomen geldbedrag, art. 33a Sr. Hof heeft geoordeeld dat het geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. het bewezenverklaarde is verkregen. Dit oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat ten laste van verdachte is bewezenverklaard het aanwezig hebben van verdovende middelen. Volgt vernietiging wat betreft strafoplegging.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (8)
- ECLI:NL:PHR:2025:668 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2023:923 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1065 Parket bij de Hoge Raad 27-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:768 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1187 Parket bij de Hoge Raad 21-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:710 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:2 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1389 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (4.267 tekens)
9 januari 2018
Strafkamer
nr. S 16/03274
EC/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 juni 2016, nummer 22/005577-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag onvoldoende met redenen is omkleed.
3.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 13 maart 2015 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2678,93 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I."
3.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring het volgende overwogen:
"Beslag
Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp (geldbedrag) zoals dit vermeld is onder 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu dit geheel of grotendeels door middel van het bewezen verklaarde is verkregen, gelet op het gegeven dat het hof heeft vastgesteld dat het ging om een handelshoeveelheid heroïne.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
(...)
Beslissing
Het hof:
(...)
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp onder 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een bedrag van € 1.832,-."
3.4.
Blijkens zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat het in het middel genoemde geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde is verkregen. Dit oordeel is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - kort gezegd - het aanwezig hebben van verdovende middelen. De bestreden uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.5.
Het middel slaagt.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2018.
Strafkamer
nr. S 16/03274
EC/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 juni 2016, nummer 22/005577-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag onvoldoende met redenen is omkleed.
3.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 13 maart 2015 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2678,93 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I."
3.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring het volgende overwogen:
"Beslag
Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp (geldbedrag) zoals dit vermeld is onder 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu dit geheel of grotendeels door middel van het bewezen verklaarde is verkregen, gelet op het gegeven dat het hof heeft vastgesteld dat het ging om een handelshoeveelheid heroïne.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
(...)
Beslissing
Het hof:
(...)
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp onder 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een bedrag van € 1.832,-."
3.4.
Blijkens zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat het in het middel genoemde geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde is verkregen. Dit oordeel is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - kort gezegd - het aanwezig hebben van verdovende middelen. De bestreden uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.5.
Het middel slaagt.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2018.