Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2018:1069

2018-07-03 Strafrecht 16/04812
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2018-07-03
Publicatiedatum
2018-07-03
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
16/04812
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2018/860 | SR-Updates.nl 2018-0299

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Witwassen van geldbedrag, art. 420bis.1.b Sr. Kwalificatie-uitsluitingsgrond. Middel doet een beroep op rechtspraak van de HR over i.h.b. de kwalificeerbaarheid als witwassen van “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2016:2842). Met die rechtspraak wordt gedoeld op "verwerven of voorhanden hebben" a.b.i. art. 420bis.1.b Sr. Nu de bewezenverklaring ook inhoudt dat verdachte van het geldbedrag “gebruik heeft gemaakt” en dat heeft "omgezet" en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het "voorhanden hebben", zou de mogelijke gegrondheid van deze klacht niet tot cassatie behoeven te leiden wegens ontbreken van voldoende belang (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3043). Volgt verwerping.

Citeert (3)

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.419 tekens)
3 juli 2018
Strafkamer
nr. S 16/04812
NA/LBS


Hoge Raad der Nederlanden



Arrest



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 september 2016, nummer 22/001764-15, in de strafzaak tegen:




[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.





1Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. Nu deze reactie na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingekomen, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2. Beoordeling van het middel




2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 7 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.


2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, in Nederland, een geldbedrag, te weten,
- in totaal (ongeveer) EUR 15.679 (te weten onverklaarbaar vermogen betreffende contante uitgaven in het jaar 2011) heeft witgewassen,
hebbende hij, verdachte, voornoemd voorwerp voorhanden gehad, omgezet en gebruik van gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."




2.2.2.
Het Hof heeft het onder 7 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "witwassen".




2.3.

Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het "verwerven of voorhanden hebben" van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het "verwerven of voorhanden hebben" als bedoeld in het eerste lid onder b van art. 420bis Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte van het geldbedrag "gebruik heeft gemaakt" en dat heeft "omgezet" als bedoeld in het evengenoemde onderdeel van dat artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het "voorhanden hebben" van het geldbedrag, zou de mogelijke gegrondheid van deze klacht niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij deze klacht (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80).






2.4.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.





3Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.