Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1025
2018-06-29
Civiel recht
17/01231
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:1025 → ECLI:NL:GHDHA:2016:4376 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:1025 → ECLI:NL:PHR:2018:431 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige overheidsdaad. Strafrecht. Schadevergoeding na vrijspraak van verdachte, die vergoeding ex art. 89 Sv en art. 591a Sv heeft ontvangen; (volledige) schadevergoeding? Norm Begaclaim-arrest. Onschuld niet gebleken. Ten onrechte als verdachte aangemerkt? Gevolgen van het bestaan van drie uiteenlopende versies van de schriftelijke uitwerking van een telefoontap.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (11)
- ECLI:NL:PHR:2024:582 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:582 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2020:619 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:619 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:619 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:619 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3421 Gerechtshof Den Haag 17-12-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3421 Gerechtshof Den Haag 17-12-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3265 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-09-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1584 Gerechtshof Den Haag 25-06-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1584 Gerechtshof Den Haag 25-06-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (2.543 tekens)
29 juni 2018
Eerste Kamer
17/01231
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. K. Teuben en mr. G.C. Nieuwland.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als eisers en de Staat.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 242204/HA ZA 05-1469 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.065.022/03 van het gerechtshof Den haag van 21 april 2015;
c. het arrest in de zaak 200.065.022/04 van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van eisers heeft bij brief van 4 mei 2018 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt eisers in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de vice-president W.A.M. van Schendel en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 29 juni 2018.
Eerste Kamer
17/01231
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. K. Teuben en mr. G.C. Nieuwland.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als eisers en de Staat.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 242204/HA ZA 05-1469 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.065.022/03 van het gerechtshof Den haag van 21 april 2015;
c. het arrest in de zaak 200.065.022/04 van het gerechtshof Den Haag van 22 november 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van eisers heeft bij brief van 4 mei 2018 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt eisers in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de vice-president W.A.M. van Schendel en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 29 juni 2018.