Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2017:698

2017-04-18 Strafrecht 14/06122
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2017-04-18
Publicatiedatum
2017-04-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
14/06122
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2017/542

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen d.m.v. 410 “money transfers” en 384 wisseltransacties, art. 420ter Sr en art. 420bis.1.b Sr. Middelen inzake de bewezenverklaring van het totaalbedrag dat werd witgewassen alsmede m.b.t. grondslagverlating. HR: art. 81.1 RO. CAG t.a.v. uitleg tll.: Hof heeft tll. kennelijk aldus verstaan dat aan verdachte twee gevallen van gewoontewitwassen worden verweten.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (3)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.807 tekens)
18 april 2017
Strafkamer
nr. S 14/06122
NA/DAZ


Hoge Raad der Nederlanden



Arrest



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 november 2014, nummer 20/003889-10, in de strafzaak tegen:



[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.




1Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.





2Beoordeling van het eerste en het tweede middel


De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.





3Beoordeling van het derde middel


3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.



3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 308 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.





4Slotsom


Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.





5Beslissing


De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 301 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.



Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2017.