Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:586
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:586 → ECLI:NL:PHR:2017:212 gevolgd
- sprongcassatie ECLI:NL:HR:2017:586 → ECLI:NL:RBAMS:2016:3883
Inhoudsindicatie
Uitlevering ter fine van strafvervolging aan Canada t.z.v. feitelijke aanranding van de eerbaarheid, kinderpornografie, grooming en verleiding en belaging. Genoegzaamheid van de stukken? Ingevolge art. 7.1.b.(i) Verdrag tussen NL en Canada inzake uitlevering dient ter ondersteuning van een uitleveringsverzoek - in geval van een persoon die wordt verdacht van een strafbaar feit - te worden overlegd het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding, uitgevaardigd in de verzoekende staat. Middel klaagt over het (impliciete) oordeel van de Rb dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan de eisen van voormelde verdragsbepaling. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de AG bewerkstelligd dat ter ondersteuning van het uitleveringsverzoek alsnog een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift is overgelegd van het in de verzoekende Staat uitgevaardigde “Warrant for Arrest”. Dit bevel tot aanhouding voldoet aan de eisen van voormelde verdragsbepaling. Gelet hierop mist de opgeëiste persoon belang bij gegrondbevinding van het middel en vernietiging van de bestreden uitspraak deswege.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.231 tekens)
Strafkamer
nr. S 16/03560 U
ES
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 28 juni 2016, nummer RK 15/8333, op een verzoek van Canada tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft een conclusie genomen.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de Rechtbank dat de door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de eisen van art. 7, eerste lid onder b sub (i), van het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada.
2.2.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de Advocaat-Generaal bewerkstelligd dat ter ondersteuning van het verzoek om uitlevering alsnog een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift is overgelegd van het in de verzoekende Staat uitgevaardigde Warrant for Arrest. Dit bevel tot aanhouding voldoet aan de eisen van voormelde verdragsbepaling.
2.3.
Gelet hierop mist de opgeëiste persoon belang bij gegrondbevinding van het middel en vernietiging van de bestreden uitspraak deswege. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2017.