Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:3072
2017-12-05
Strafrecht
16/02157
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:3072 → ECLI:NL:GHDHA:2016:1061 niet ontvankelijk
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:3072 → ECLI:NL:PHR:2017:1311 gevolgd
Inhoudsindicatie
Medeplegen van gekwalificeerde doodslag, voorbereiding van afpersing of diefstal met geweld en wapenbezit. Falende (bewijs)motiveringsklachten. HR: art. 80a RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (10)
- ECLI:NL:PHR:2024:107 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2021:1090 Parket bij de Hoge Raad 23-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:392 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:390 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:10 Parket bij de Hoge Raad 12-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1001 Parket bij de Hoge Raad 03-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1003 Parket bij de Hoge Raad 03-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1002 Parket bij de Hoge Raad 03-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1212 Parket bij de Hoge Raad 26-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:345 Parket bij de Hoge Raad 16-04-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (1.786 tekens)
5 december 2017
Strafkamer
nr. S 16/02157
SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 april 2016, nummer 22/000996-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017.
Strafkamer
nr. S 16/02157
SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 april 2016, nummer 22/000996-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017.