Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:2828
2017-11-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/01579
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:2828 → ECLI:NL:GHDHA:2017:1066 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Artikel 2, lid 1, aanhef en letter f, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken. Alleen het waterverdedigingswerk zelf, een dijk, blijft buiten aanmerking bij waardering van de onroerende zaak.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:364 Hoge Raad 04-03-2016
Geciteerd door (24)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6560 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1209 Gerechtshof Den Haag 30-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2662 Gerechtshof Den Haag 05-12-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:4345 Rechtbank Oost-Brabant 20-09-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:1083 Rechtbank Noord-Holland 09-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3730 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-07-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1119 Rechtbank Midden-Nederland 28-03-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:980 Gerechtshof Amsterdam 30-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:7090 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-09-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2555 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:4679 Rechtbank Amsterdam 01-07-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:4679 Rechtbank Amsterdam 01-07-2019
- ECLI:NL:RBNHO:2019:3409 Rechtbank Noord-Holland 23-04-2019
- ECLI:NL:RBNNE:2019:1114 Rechtbank Noord-Nederland 14-03-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:1430 Rechtbank Amsterdam 05-03-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:353 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-01-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2018:4840 Rechtbank Overijssel 13-12-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2018:8714 Rechtbank Amsterdam 07-12-2018
- ECLI:NL:HR:2018:625 Hoge Raad 25-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:218 Parket bij de Hoge Raad 06-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:218 Parket bij de Hoge Raad 06-03-2018
- ECLI:NL:HR:2018:279 Hoge Raad 23-02-2018
- ECLI:NL:HR:2018:278 Hoge Raad 23-02-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2018:927 Rechtbank Amsterdam 22-02-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (4.149 tekens)
10 november 2017
nr. 17/01579
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 maart 2017, nr. BK-16/00411, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de directeur van het samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 16/1020) betreffende de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2015 met betrekking tot de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak bestaat uit een vrijstaande woning met een schuur, een stal, een mestkelder en percelen (landbouw)grond. De onroerende zaak is gelegen aan een waterverdedigingswerk, een dijk, in het gebied van het waterschap Rivierenland (hierna: het Waterschap).
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Het geschil spitste zich toe op de vraag op welke delen van de onroerende zaak de waarderingsuitzondering van toepassing is voor waterverdedigingswerken als bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en letter f, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling).
2.2.2
Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2016, nr. 15/00518, ECLI:NL:HR:2016:364, BNB 2016/96, geoordeeld dat de waarderingsuitzondering beperkt blijft tot het waterverdedigingswerk (de dijk) met uitzondering van de daartoe behorende delen die dienen tot woning.
2.3.1.
Tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel richten zich de middelen.
2.3.2.
Het eerste middel betoogt onder meer dat het Hof heeft miskend dat op grond van artikel 2, lid 1, aanhef en letter f, van de Uitvoeringsregeling, mede buiten aanmerking moet blijven de waarde die is toe te rekenen aan de naast de onderhavige dijk gelegen zones waarin op grond van de keur van het Waterschap voorschriften en beperkingen gelden ter bescherming van die dijk.
2.3.3.
Dit betoog faalt. Alleen het dijklichaam zelf is een waterverdedigingswerk als bedoeld in voormeld artikel 2, lid 1, aanhef en letter f, van de Uitvoeringsregeling. De omstandigheid dat een waterschap ter bescherming en beheer van dat dijklichaam voorschriften vaststelt en beheersmaatregelen neemt die gelden voor naastgelegen zones, brengt niet mee dat die zones gerekend moeten worden tot de in voormelde bepaling bedoelde werken die bij de waardering buiten aanmerking moeten blijven.
2.3.4.
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.
nr. 17/01579
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 maart 2017, nr. BK-16/00411, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de directeur van het samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 16/1020) betreffende de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2015 met betrekking tot de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak bestaat uit een vrijstaande woning met een schuur, een stal, een mestkelder en percelen (landbouw)grond. De onroerende zaak is gelegen aan een waterverdedigingswerk, een dijk, in het gebied van het waterschap Rivierenland (hierna: het Waterschap).
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Het geschil spitste zich toe op de vraag op welke delen van de onroerende zaak de waarderingsuitzondering van toepassing is voor waterverdedigingswerken als bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en letter f, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling).
2.2.2
Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2016, nr. 15/00518, ECLI:NL:HR:2016:364, BNB 2016/96, geoordeeld dat de waarderingsuitzondering beperkt blijft tot het waterverdedigingswerk (de dijk) met uitzondering van de daartoe behorende delen die dienen tot woning.
2.3.1.
Tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel richten zich de middelen.
2.3.2.
Het eerste middel betoogt onder meer dat het Hof heeft miskend dat op grond van artikel 2, lid 1, aanhef en letter f, van de Uitvoeringsregeling, mede buiten aanmerking moet blijven de waarde die is toe te rekenen aan de naast de onderhavige dijk gelegen zones waarin op grond van de keur van het Waterschap voorschriften en beperkingen gelden ter bescherming van die dijk.
2.3.3.
Dit betoog faalt. Alleen het dijklichaam zelf is een waterverdedigingswerk als bedoeld in voormeld artikel 2, lid 1, aanhef en letter f, van de Uitvoeringsregeling. De omstandigheid dat een waterschap ter bescherming en beheer van dat dijklichaam voorschriften vaststelt en beheersmaatregelen neemt die gelden voor naastgelegen zones, brengt niet mee dat die zones gerekend moeten worden tot de in voormelde bepaling bedoelde werken die bij de waardering buiten aanmerking moeten blijven.
2.3.4.
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.