Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2017:2570

2017-10-10 Strafrecht 16/04473
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2017-10-10
Publicatiedatum
2017-10-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
16/04473
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2017/1134

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Doodslag. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:93. Falende klachten over 1. u.o.s inhoudende dat de bloedsporen niet ten laste van verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt. 2. u.o.s. inhoudende dat geen relatie is vast te stellen tussen de door verdachte op het internet gebruikte zoektermen en het tlgd. feit. 3. u.o.s. inhoudende dat aannemelijk is dat niet verdachte, maar een onbekende derde de inbraak heeft geënsceneerd en/of het delict heeft gepleegd. HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (1.506 tekens)
10 oktober 2017
Strafkamer
nr. S 16/04473
AKA


Hoge Raad der Nederlanden



Arrest



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 14 juli 2016, nummer 21/000406-15, in de strafzaak tegen:



[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.




1Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.






2Beoordeling van de middelen


De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.





3Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2017.