Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:1284
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:1284 → ECLI:NL:PHR:2017:605 gevolgd
Inhoudsindicatie
Maximumduur vervangende hechtenis bij oplegging meerdere schadevergoedingsmaatregelen, art. 24c Sr, art. 60a Sr en art. 36f Sr. Hof heeft verdachte verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat t.b.v. A en B van respectievelijk € 223.350,- en € 98.950,-, telkens bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. Ex art. 36f.8 Sr jo. art. 24c.1 Sr dient de rechter bij het opleggen van een svm voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Die vervangende hechtenis mag in geval van samenloop a.b.i. art. 57 Sr o.g.v. art. 60a Sr jo. art. 24c.3 Sr voor beide betalingsverplichtingen gezamenlijk ten hoogste een jaar bedragen. HR vermindert zelf de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:PHR:2021:37 Parket bij de Hoge Raad 19-01-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2020:4442 Rechtbank Overijssel 21-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2018:561 Parket bij de Hoge Raad 10-04-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.071 tekens)
Strafkamer
nr. S 16/01953
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2016, nummer 23/001515-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de bij de aan de verdachte opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat bevolen vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan in die zin dat is voldaan aan het wettelijke maximum van een jaar en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het derde middel
3.1.
Het middel klaagt dat het Hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan.
3.2.
Het Hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van respectievelijk € 223.350,- en € 98.950,-, telkens bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis.
3.3.
Ingevolge art. 36f, achtste lid, in verbinding met art. 24c, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Die vervangende hechtenis mag in een geval als het
onderhavige waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, op grond van art. 60a in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr voor de beide betalingsverplichtingen gezamenlijk ten hoogste een jaar bedragen.
3.4.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf de duur van de vervangende hechtenis aldus verminderen dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bij de aan de verdachte opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat bevolen vervangende hechtenis;
beveelt
a. dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 223.350,- ten behoeve van [betrokkene 1], bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 253 dagen hechtenis;
b. dat het aan de Staat te betalen bedrag van € 98.950,- ten behoeve van [betrokkene 2], bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door 112 dagen hechtenis;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017.