Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:1185
2017-06-30
Civiel recht
16/02778
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:1185 → ECLI:NL:GHDHA:2016:2417 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:1185 → ECLI:NL:PHR:2017:291 gevolgd
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Huur woonruimte. Eigenaar vordert verklaring voor recht dat gedaagde zonder recht of titel in woning verblijft. Verweer dat huurovereenkomst bestaat. Stelplicht en bewijslast.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (33)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2341 Rechtbank Noord-Nederland 17-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:923 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-04-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:922 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1944 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-03-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6181 Rechtbank Overijssel 21-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12459 Rechtbank Rotterdam 10-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6137 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2024:11691 Rechtbank Rotterdam 13-11-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:4419 Rechtbank Amsterdam 18-06-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4230 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4231 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-12-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2328 Rechtbank Limburg 26-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:186 Parket bij de Hoge Raad 10-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1238 Parket bij de Hoge Raad 23-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:905 Parket bij de Hoge Raad 07-10-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:533 Gerechtshof Den Haag 22-03-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:650 Rechtbank Limburg 27-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11744 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-12-2021
- ECLI:NL:RBLIM:2021:8677 Rechtbank Limburg 18-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:9459 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:6481 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1164 Gerechtshof Den Haag 30-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:651 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:651 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:453 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:884 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:884 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-03-2020
- ECLI:NL:RBLIM:2020:862 Rechtbank Limburg 30-01-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2019:1966 Rechtbank Gelderland 08-05-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1453 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-04-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:803 Rechtbank Rotterdam 31-01-2019
- ECLI:NL:RBROT:2018:9317 Rechtbank Rotterdam 31-10-2018
- ECLI:NL:HR:2017:2565 Hoge Raad 06-10-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (5.952 tekens)
30 juni 2017
Eerste Kamer
16/02778
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 2703592/14-1702 van de kantonrechter te Den Haag van 17 maart 2014;
b. het arrest in de zaak 200.172.725/01 van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.6. Kort gezegd gaat het om het volgende.
(i) [verweerder] heeft zijn hele leven in de bovenwoning aan [a-straat 1] in Den Haag (hierna: de bovenwoning) gewoond.
(ii) Aanvankelijk woonde hij daar samen met zijn beide ouders, en nadat zijn vader was overleden, samen met zijn moeder. Eind 2011 is zijn moeder verhuisd naar een verpleeghuis. Sindsdien woont [verweerder] alleen in de bovenwoning. Zijn moeder is in juli 2012 overleden.
(iii) De huurovereenkomst tussen de ouders van [verweerder] en de (voormalige) eigenaren van de bovenwoning is niet op schrift gesteld.
(iv) [eiser] is in 2003 eigenaar geworden van (onder meer) de bovenwoning na het overlijden van de toenmalige eigenares.
3.2.1
In dit geding heeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerder] sinds 30 september 2012 zonder recht of titel in de bovenwoning verblijft. Voorts vorderde hij (onder meer) de veroordeling van [verweerder] om de bovenwoning te ontruimen. De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen, waarna de bovenwoning is ontruimd.
3.2.2
Het hof heeft de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen. Het heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Het hof stelt voorop dat de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat [verweerder] zonder recht of titel in de bovenwoning verblijft, op [eiser] rusten. Het enkele feit dat de huurovereenkomst oorspronkelijk door de ouders van [verweerder] is aangegaan is niet voldoende voor de conclusie dat [verweerder] thans zonder recht of titel aldaar verblijft. (rov. 8)
[verweerder] heeft aangevoerd dat hij met de toenmalige eigenares mondeling heeft afgesproken dat hij de huurovereenkomst zou overnemen van zijn ouders, althans dat hij voortaan medehuurder zou zijn. Ter onderbouwing heeft hij in hoger beroep een verklaring overgelegd van een neef van de toenmalige eigenares. (rov. 9)
Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken niet kan worden geconcludeerd dat [verweerder] zonder recht of titel in de bovenwoning verblijft. Met zijn stellingen over de waarde van de verklaring van de hiervoor genoemde neef miskent [eiser] dat het niet aan [verweerder] is te bewijzen dat hij (mede)huurder is, maar aan [eiser] om aan te tonen dat [verweerder] zonder recht of titel in de bovenwoning verblijft. (rov. 10)
3.3.1
Het middel klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de stelplicht en de bewijslast van partijen.
3.3.2
[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij eigenaar is van de bovenwoning en dat [verweerder] daarin zonder recht of titel verblijft. Hij heeft gesteld dat de ouders van [verweerder] huurders waren van de bovenwoning, dat na het overlijden van de vader van [verweerder] de huurovereenkomst is voortgezet door de moeder van [verweerder], en dat met haar overlijden een einde is gekomen aan de huurovereenkomst.
[verweerder] heeft niet betwist dat [eiser] eigenaar is, maar stelt dat hij met een rechtsvoorgangster van [eiser] heeft afgesproken dat hij de huurovereenkomst zou overnemen van zijn ouders, althans dat hij voortaan medehuurder zou zijn.
Uitgangspunt is dat degene die zich jegens de eigenaar beroept op een recht om een goed te houden of te gebruiken, zoals een huurrecht, de stelplicht en bewijslast heeft met betrekking tot de feiten waaruit dat recht volgt. Het hof heeft dit uitgangspunt miskend. De klacht is dus gegrond.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 502,20 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 juni 2017.
Eerste Kamer
16/02778
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 2703592/14-1702 van de kantonrechter te Den Haag van 17 maart 2014;
b. het arrest in de zaak 200.172.725/01 van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.6. Kort gezegd gaat het om het volgende.
(i) [verweerder] heeft zijn hele leven in de bovenwoning aan [a-straat 1] in Den Haag (hierna: de bovenwoning) gewoond.
(ii) Aanvankelijk woonde hij daar samen met zijn beide ouders, en nadat zijn vader was overleden, samen met zijn moeder. Eind 2011 is zijn moeder verhuisd naar een verpleeghuis. Sindsdien woont [verweerder] alleen in de bovenwoning. Zijn moeder is in juli 2012 overleden.
(iii) De huurovereenkomst tussen de ouders van [verweerder] en de (voormalige) eigenaren van de bovenwoning is niet op schrift gesteld.
(iv) [eiser] is in 2003 eigenaar geworden van (onder meer) de bovenwoning na het overlijden van de toenmalige eigenares.
3.2.1
In dit geding heeft [eiser] een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerder] sinds 30 september 2012 zonder recht of titel in de bovenwoning verblijft. Voorts vorderde hij (onder meer) de veroordeling van [verweerder] om de bovenwoning te ontruimen. De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen, waarna de bovenwoning is ontruimd.
3.2.2
Het hof heeft de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen. Het heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Het hof stelt voorop dat de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat [verweerder] zonder recht of titel in de bovenwoning verblijft, op [eiser] rusten. Het enkele feit dat de huurovereenkomst oorspronkelijk door de ouders van [verweerder] is aangegaan is niet voldoende voor de conclusie dat [verweerder] thans zonder recht of titel aldaar verblijft. (rov. 8)
[verweerder] heeft aangevoerd dat hij met de toenmalige eigenares mondeling heeft afgesproken dat hij de huurovereenkomst zou overnemen van zijn ouders, althans dat hij voortaan medehuurder zou zijn. Ter onderbouwing heeft hij in hoger beroep een verklaring overgelegd van een neef van de toenmalige eigenares. (rov. 9)
Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken niet kan worden geconcludeerd dat [verweerder] zonder recht of titel in de bovenwoning verblijft. Met zijn stellingen over de waarde van de verklaring van de hiervoor genoemde neef miskent [eiser] dat het niet aan [verweerder] is te bewijzen dat hij (mede)huurder is, maar aan [eiser] om aan te tonen dat [verweerder] zonder recht of titel in de bovenwoning verblijft. (rov. 10)
3.3.1
Het middel klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de stelplicht en de bewijslast van partijen.
3.3.2
[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij eigenaar is van de bovenwoning en dat [verweerder] daarin zonder recht of titel verblijft. Hij heeft gesteld dat de ouders van [verweerder] huurders waren van de bovenwoning, dat na het overlijden van de vader van [verweerder] de huurovereenkomst is voortgezet door de moeder van [verweerder], en dat met haar overlijden een einde is gekomen aan de huurovereenkomst.
[verweerder] heeft niet betwist dat [eiser] eigenaar is, maar stelt dat hij met een rechtsvoorgangster van [eiser] heeft afgesproken dat hij de huurovereenkomst zou overnemen van zijn ouders, althans dat hij voortaan medehuurder zou zijn.
Uitgangspunt is dat degene die zich jegens de eigenaar beroept op een recht om een goed te houden of te gebruiken, zoals een huurrecht, de stelplicht en bewijslast heeft met betrekking tot de feiten waaruit dat recht volgt. Het hof heeft dit uitgangspunt miskend. De klacht is dus gegrond.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 502,20 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 juni 2017.