Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:420
2016-03-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/03065
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:420 → ECLI:NL:GHAMS:2015:2676 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Art. 8:75 Awb; art. 3, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht; art. II Besluit 27 oktober 2014, Stb. 2014/411. Begrip ‘samenhangende zaken’ m.i.v. 2015 alleen bij nagenoeg identieke werkzaamheden. Geen ‘abstracte toets’. Overgangsrecht (onmiddellijke werking) per 1 januari 2015 mag niet tot vermindering van voordien toegekende vergoedingen leiden. Art. 1, letter b, Besluit proceskosten bestuursrecht. Geen afzonderlijke vergoeding voor taxatiekaart in aanvulling op eerder taxatierapport.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (102)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:400 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:398 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:399 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:401 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2789 Gerechtshof Amsterdam 27-09-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2790 Gerechtshof Amsterdam 27-09-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:2658 Rechtbank Limburg 11-04-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:2628 Rechtbank Limburg 01-04-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1084 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:560 Rechtbank Den Haag 28-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:66 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:363 Rechtbank Den Haag 24-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:364 Rechtbank Den Haag 24-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:365 Rechtbank Den Haag 24-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:366 Rechtbank Den Haag 24-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:348 Rechtbank Den Haag 24-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:346 Rechtbank Den Haag 24-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:345 Rechtbank Den Haag 24-01-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:350 Rechtbank Den Haag 24-01-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:86 Rechtbank Oost-Brabant 17-01-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2021:6604 Rechtbank Oost-Brabant 20-12-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-11-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2131 Gerechtshof Den Haag 11-11-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2131 Gerechtshof Den Haag 11-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8277 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7821 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-08-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2557 Gerechtshof Amsterdam 10-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7352 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7353 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7345 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7354 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-08-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2651 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2653 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2650 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2657 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2656 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2654 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2652 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1302 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1290 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1285 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1286 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1293 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1296 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1289 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1292 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1297 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1291 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1295 Gerechtshof Amsterdam 31-03-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1212 Rechtbank Gelderland 19-02-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2018:8710 Rechtbank Amsterdam 05-12-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4638 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4638 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2018
- ECLI:NL:RBOVE:2018:1297 Rechtbank Overijssel 18-04-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:214 Rechtbank Gelderland 22-01-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:78 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-01-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2017:5280 Rechtbank Gelderland 12-10-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:6570 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-08-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:5533 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-07-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (12.837 tekens)
18 maart 2016
nr. 15/03065
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede (hierna: het College) alsmede het incidentele beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juni 2015, nr. 14/00578, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/334) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de WOZ-beschikking). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Het College heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
Het College heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak (hierna: de woning) bij de WOZ‑beschikking voor het jaar 2013 vastgesteld op € 619.000. Nadat de gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) tegen de WOZ-beschikking een bezwaarschrift had ingediend, heeft op 6 november 2013 een hoorzitting plaatsgevonden (hierna: de hoorzitting).
2.1.2.
Tijdens de hoorzitting, die van 10.19 uur tot 12.54 uur heeft geduurd, zijn volgtijdelijk de bezwaarschriften tegen in totaal 15 WOZ-beschikkingen besproken. Deze WOZ-beschikkingen betroffen verschillende woningen, waarvan een aantal is gelegen in andere gemeenten dan die waar de onroerende zaak van belanghebbende is gelegen. Alle bezwaarschriften waren ingediend door (het kantoor van) de gemachtigde.
2.1.3.
Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 2 december 2013, heeft de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld.
2.1.4.
Belanghebbende heeft bij zijn beroepschrift een daartoe door het makelaars- en taxateurskantoor [D] B.V. opgestelde ‘herziene taxatiekaart’ overgelegd (hierna: de taxatiekaart). De taxatiekaart bevat gegevens van vier vergelijkingsobjecten en een daaruit afgeleide ‘meter-prijs hoofdgebouw’, alsmede een afgeleide ‘m2 prijs kavel’. De WOZ-waarde van de woning wordt in de taxatiekaart getaxeerd op € 564.620.
2.1.5.
Ter zake van het opstellen van de taxatiekaart is aan belanghebbende een bedrag van € 96,80 (inclusief 21% btw) in rekening gebracht.
2.1.6.
Naar aanleiding van het beroepschrift is de heffingsambtenaar alsnog tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende en heeft hij de vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 564.000.
2.1.7.
Belanghebbende heeft vervolgens zijn beroep ingetrokken. Gelijktijdig met de intrekking heeft hij verzocht de heffingsambtenaar ingevolge artikel 8:75a, lid 1, Awb bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure en van de procedure bij de Rechtbank.
2.1.8.
Bij uitspraak van 27 juni 2014 heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van bezwaar en beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1002. Dit bedrag is als volgt berekend:
- kosten indienen bezwaarschrift € 243
- kosten taxatierapport € 242
- kosten horen bezwaarfase € 30
- beroepschrift € 487
- taxatiekosten beroepsfase € 0
€ 1002
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil de hoogte van de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding. Het geschil spitste zich toe op de hoogte van de aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding betreffende het horen in de bezwaarfase en de taxatiekosten in de beroepsfase.
2.2.2.
Het Hof heeft met betrekking tot de kostenvergoeding betreffende het horen in de bezwaarfase geoordeeld dat, uitgaande van de omstandigheden van het geval, een zuiver forfaitair bepaalde vergoeding niet dermate disproportioneel is dat aanleiding bestaat die vergoeding te matigen en dat de Rechtbank daarom in redelijkheid niet tot het oordeel kon komen dat sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) die een matiging van de vergoeding voor het horen in de bezwaarfase tot € 30 rechtvaardigen.
2.2.3.
Het Hof heeft vervolgens overwogen dat zijn hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel ertoe leidt dat de beslissing van de Rechtbank dient te worden vernietigd, met veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Ter bepaling van de hoogte van deze kosten, heeft het Hof met toepassing van artikel II van het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken (Staatsblad 2014, 411; hierna: het wijzigingsbesluit) belanghebbendes verzoek - voor zover in cassatie van belang – getoetst aan artikel 3, lid 2, van het Bpb zoals deze bepaling met ingang van 1 januari 2015 geldt (hierna: het nieuwe Bpb).
Het Hof heeft geoordeeld dat de onderhavige zaak en de 14 andere zaken die tijdens de hoorzitting zijn behandeld geen samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3, lid 2, van het nieuwe Bpb. Redengevend daarvoor achtte het Hof dat aannemelijk is dat vanwege de verschillen tussen de tijdens de hoorzitting besproken woningen, de door de gemachtigde volgtijdelijk op de bezwaren gegeven toelichtingen dusdanig verschillend zijn geweest dat niet gezegd kan worden dat dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak. De enkele omstandigheid dat de argumentatie in alle zaken was gebaseerd op een waardebepaling volgens de vergelijkingsmethode doet hieraan niet af, aldus het Hof.
2.2.4.
Met betrekking tot de door belanghebbende geclaimde vergoeding voor taxatiekosten in de beroepsfase heeft het Hof geoordeeld dat de taxatiekaart niet kan worden aangemerkt als een verslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en letter b, van het Bpb, doch (slechts) een aanvulling vormt op het in de bezwaarfase ingebrachte taxatierapport waarvoor aan belanghebbende reeds door de Rechtbank een vergoeding van € 242 is toegekend. Daaraan doet niet af dat de op de taxatiekaart genoemde WOZ‑waarde uiteindelijk de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde is, aldus het Hof.
3Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
3.1.
Het middel komt op tegen het in onderdeel 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat bij de beantwoording van de vraag of zaken ‘samenhangende zaken’ zijn in de zin van artikel 3, lid 2, van het nieuwe Bpb, niet bepalend zijn de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden, maar dat beoordeeld dient te worden of de werkzaamheden nagenoeg identiek hadden kunnen zijn.
3.2.
Uit de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit (blz. 3-4) moet worden afgeleid dat de daarin opgenomen verruiming van het begrip ‘samenhangende zaken’ ziet op situaties waarin diverse zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld, en dezelfde rechtsbijstandsverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak. De wijziging heeft blijkens deze nota van toelichting tot doel te bewerkstelligen dat in die situaties de rechtsbijstandverlener niet langer voor iedere zaak, afzonderlijk een kostenvergoeding ontvangt. Hiermee heeft de besluitgever willen voorkomen dat een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor de werkzaamheden van die rechtsbijstandverlener.
3.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3.2 is overwogen heeft het Hof bij de beantwoording van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van samenhangende zaken terecht beslissend geacht of dezelfde dienstverlener (de gemachtigde) in die zaken nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten. Het oordeel van het Hof dat hiervan in dit geval geen sprake is vanwege de verschillen tussen de tijdens de hoorzitting besproken woningen en de verschillen tussen de door de gemachtigde volgtijdelijk op de bezwaren gegeven toelichting, is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering. Voor het aanleggen van een ‘abstracte toets’, zoals het middel bepleit, biedt die bepaling geen steun.
3.4.
Uitgaande van dat oordeel kon het Hof, gelijk het heeft gedaan, zonder schending van artikel 3, lid 2, van het nieuwe Bpb tot de slotsom komen dat belanghebbendes tijdens de hoorzitting behandelde bezwaarschrift en de andere tijdens die hoorzitting behandelde zaken geen samenhangende zaken zijn in de zin van die bepaling. Het middel faalt derhalve.
3.5.1.
Opmerking verdient ten slotte het volgende. Het tot de algemene rechtsbeginselen behorende rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden geëerbiedigd (zie HR 7 oktober 1992, nr. 26974, BNB 1993/4). Daaruit vloeit voort dat in een geval waarin een uitspraak op bezwaar of een rechterlijke uitspraak vóór 1 januari 2015 is bekendgemaakt, en de belanghebbende op grond van de toen geldende tekst van het Bpb recht had op een bepaalde kostenvergoeding, hij niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren als gevolg van toepassing van het (overgangs)recht neergelegd in artikel II (tweede volzin) van het wijzigingsbesluit, dat voorschrijft dat bij vernietiging van die uitspraak op of na 1 januari 2015 de proceskostenvergoeding wordt toegekend op basis van het nieuwe Bpb. Leidt het overgangsrecht van artikel II (tweede volzin) van het wijzigingsbesluit - niet zijnde een wet in formele zin - wel tot een zodanige positieverslechtering, dan dient het buiten toepassing te blijven, en moet het vóór 1 januari 2015 geldende recht worden toegepast overeenkomstig de hoofdregel van de eerste volzin van artikel II van het wijzigingsbesluit.
3.5.2.
Uit het hiervoor in 3.4 overwogene vloeit echter voort dat in dit geval geen sprake is van een ontoelaatbare positieverslechtering zoals bedoeld in 3.5.1.
4Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klachten
4.1.
De klachten komen op tegen het in onderdeel 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof inzake de kosten van de taxatiekaart.
4.2.
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 15/03061 en 15/03062 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Bpb.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van € 1984, derhalve € 661,33 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede wordt een griffierecht geheven van € 497.
nr. 15/03065
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede (hierna: het College) alsmede het incidentele beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juni 2015, nr. 14/00578, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/334) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de WOZ-beschikking). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Het College heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
Het College heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak (hierna: de woning) bij de WOZ‑beschikking voor het jaar 2013 vastgesteld op € 619.000. Nadat de gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) tegen de WOZ-beschikking een bezwaarschrift had ingediend, heeft op 6 november 2013 een hoorzitting plaatsgevonden (hierna: de hoorzitting).
2.1.2.
Tijdens de hoorzitting, die van 10.19 uur tot 12.54 uur heeft geduurd, zijn volgtijdelijk de bezwaarschriften tegen in totaal 15 WOZ-beschikkingen besproken. Deze WOZ-beschikkingen betroffen verschillende woningen, waarvan een aantal is gelegen in andere gemeenten dan die waar de onroerende zaak van belanghebbende is gelegen. Alle bezwaarschriften waren ingediend door (het kantoor van) de gemachtigde.
2.1.3.
Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 2 december 2013, heeft de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld.
2.1.4.
Belanghebbende heeft bij zijn beroepschrift een daartoe door het makelaars- en taxateurskantoor [D] B.V. opgestelde ‘herziene taxatiekaart’ overgelegd (hierna: de taxatiekaart). De taxatiekaart bevat gegevens van vier vergelijkingsobjecten en een daaruit afgeleide ‘meter-prijs hoofdgebouw’, alsmede een afgeleide ‘m2 prijs kavel’. De WOZ-waarde van de woning wordt in de taxatiekaart getaxeerd op € 564.620.
2.1.5.
Ter zake van het opstellen van de taxatiekaart is aan belanghebbende een bedrag van € 96,80 (inclusief 21% btw) in rekening gebracht.
2.1.6.
Naar aanleiding van het beroepschrift is de heffingsambtenaar alsnog tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende en heeft hij de vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 564.000.
2.1.7.
Belanghebbende heeft vervolgens zijn beroep ingetrokken. Gelijktijdig met de intrekking heeft hij verzocht de heffingsambtenaar ingevolge artikel 8:75a, lid 1, Awb bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure en van de procedure bij de Rechtbank.
2.1.8.
Bij uitspraak van 27 juni 2014 heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van bezwaar en beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1002. Dit bedrag is als volgt berekend:
- kosten indienen bezwaarschrift € 243
- kosten taxatierapport € 242
- kosten horen bezwaarfase € 30
- beroepschrift € 487
- taxatiekosten beroepsfase € 0
€ 1002
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil de hoogte van de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding. Het geschil spitste zich toe op de hoogte van de aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding betreffende het horen in de bezwaarfase en de taxatiekosten in de beroepsfase.
2.2.2.
Het Hof heeft met betrekking tot de kostenvergoeding betreffende het horen in de bezwaarfase geoordeeld dat, uitgaande van de omstandigheden van het geval, een zuiver forfaitair bepaalde vergoeding niet dermate disproportioneel is dat aanleiding bestaat die vergoeding te matigen en dat de Rechtbank daarom in redelijkheid niet tot het oordeel kon komen dat sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) die een matiging van de vergoeding voor het horen in de bezwaarfase tot € 30 rechtvaardigen.
2.2.3.
Het Hof heeft vervolgens overwogen dat zijn hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel ertoe leidt dat de beslissing van de Rechtbank dient te worden vernietigd, met veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Ter bepaling van de hoogte van deze kosten, heeft het Hof met toepassing van artikel II van het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken (Staatsblad 2014, 411; hierna: het wijzigingsbesluit) belanghebbendes verzoek - voor zover in cassatie van belang – getoetst aan artikel 3, lid 2, van het Bpb zoals deze bepaling met ingang van 1 januari 2015 geldt (hierna: het nieuwe Bpb).
Het Hof heeft geoordeeld dat de onderhavige zaak en de 14 andere zaken die tijdens de hoorzitting zijn behandeld geen samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3, lid 2, van het nieuwe Bpb. Redengevend daarvoor achtte het Hof dat aannemelijk is dat vanwege de verschillen tussen de tijdens de hoorzitting besproken woningen, de door de gemachtigde volgtijdelijk op de bezwaren gegeven toelichtingen dusdanig verschillend zijn geweest dat niet gezegd kan worden dat dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak. De enkele omstandigheid dat de argumentatie in alle zaken was gebaseerd op een waardebepaling volgens de vergelijkingsmethode doet hieraan niet af, aldus het Hof.
2.2.4.
Met betrekking tot de door belanghebbende geclaimde vergoeding voor taxatiekosten in de beroepsfase heeft het Hof geoordeeld dat de taxatiekaart niet kan worden aangemerkt als een verslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en letter b, van het Bpb, doch (slechts) een aanvulling vormt op het in de bezwaarfase ingebrachte taxatierapport waarvoor aan belanghebbende reeds door de Rechtbank een vergoeding van € 242 is toegekend. Daaraan doet niet af dat de op de taxatiekaart genoemde WOZ‑waarde uiteindelijk de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde is, aldus het Hof.
3Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
3.1.
Het middel komt op tegen het in onderdeel 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat bij de beantwoording van de vraag of zaken ‘samenhangende zaken’ zijn in de zin van artikel 3, lid 2, van het nieuwe Bpb, niet bepalend zijn de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden, maar dat beoordeeld dient te worden of de werkzaamheden nagenoeg identiek hadden kunnen zijn.
3.2.
Uit de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit (blz. 3-4) moet worden afgeleid dat de daarin opgenomen verruiming van het begrip ‘samenhangende zaken’ ziet op situaties waarin diverse zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld, en dezelfde rechtsbijstandsverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak. De wijziging heeft blijkens deze nota van toelichting tot doel te bewerkstelligen dat in die situaties de rechtsbijstandverlener niet langer voor iedere zaak, afzonderlijk een kostenvergoeding ontvangt. Hiermee heeft de besluitgever willen voorkomen dat een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor de werkzaamheden van die rechtsbijstandverlener.
3.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3.2 is overwogen heeft het Hof bij de beantwoording van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van samenhangende zaken terecht beslissend geacht of dezelfde dienstverlener (de gemachtigde) in die zaken nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten. Het oordeel van het Hof dat hiervan in dit geval geen sprake is vanwege de verschillen tussen de tijdens de hoorzitting besproken woningen en de verschillen tussen de door de gemachtigde volgtijdelijk op de bezwaren gegeven toelichting, is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering. Voor het aanleggen van een ‘abstracte toets’, zoals het middel bepleit, biedt die bepaling geen steun.
3.4.
Uitgaande van dat oordeel kon het Hof, gelijk het heeft gedaan, zonder schending van artikel 3, lid 2, van het nieuwe Bpb tot de slotsom komen dat belanghebbendes tijdens de hoorzitting behandelde bezwaarschrift en de andere tijdens die hoorzitting behandelde zaken geen samenhangende zaken zijn in de zin van die bepaling. Het middel faalt derhalve.
3.5.1.
Opmerking verdient ten slotte het volgende. Het tot de algemene rechtsbeginselen behorende rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden geëerbiedigd (zie HR 7 oktober 1992, nr. 26974, BNB 1993/4). Daaruit vloeit voort dat in een geval waarin een uitspraak op bezwaar of een rechterlijke uitspraak vóór 1 januari 2015 is bekendgemaakt, en de belanghebbende op grond van de toen geldende tekst van het Bpb recht had op een bepaalde kostenvergoeding, hij niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren als gevolg van toepassing van het (overgangs)recht neergelegd in artikel II (tweede volzin) van het wijzigingsbesluit, dat voorschrijft dat bij vernietiging van die uitspraak op of na 1 januari 2015 de proceskostenvergoeding wordt toegekend op basis van het nieuwe Bpb. Leidt het overgangsrecht van artikel II (tweede volzin) van het wijzigingsbesluit - niet zijnde een wet in formele zin - wel tot een zodanige positieverslechtering, dan dient het buiten toepassing te blijven, en moet het vóór 1 januari 2015 geldende recht worden toegepast overeenkomstig de hoofdregel van de eerste volzin van artikel II van het wijzigingsbesluit.
3.5.2.
Uit het hiervoor in 3.4 overwogene vloeit echter voort dat in dit geval geen sprake is van een ontoelaatbare positieverslechtering zoals bedoeld in 3.5.1.
4Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klachten
4.1.
De klachten komen op tegen het in onderdeel 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof inzake de kosten van de taxatiekaart.
4.2.
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 15/03061 en 15/03062 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Bpb.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van € 1984, derhalve € 661,33 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede wordt een griffierecht geheven van € 497.