Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:316
2016-02-26
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/03528
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:316 → ECLI:NL:GHAMS:2015:2495 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:316 → ECLI:NL:PHR:2015:2303 gevolgd
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting; artikel 225 Gemeentewet, artikel 20 AWR. Naheffing parkeerbelasting mogelijk bij invoeren verkeerd kenteken?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1997:AA3200 Hoge Raad 08-01-1997
Geciteerd door (34)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8030 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7890 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-08-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3790 Rechtbank Midden-Nederland 25-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3623 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-12-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2956 Gerechtshof Amsterdam 14-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9670 Rechtbank Rotterdam 05-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:801 Parket bij de Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1050 Gerechtshof Amsterdam 16-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1050 Gerechtshof Amsterdam 16-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1050 Gerechtshof Amsterdam 16-01-2025
- ECLI:NL:OGEAA:2024:127 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 03-06-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:3671 Rechtbank Amsterdam 31-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:979 Gerechtshof Amsterdam 26-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:11349 Rechtbank Rotterdam 04-12-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:11349 Rechtbank Rotterdam 04-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10365 Rechtbank Noord-Holland 20-10-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10365 Rechtbank Noord-Holland 20-10-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:4521 Rechtbank Rotterdam 30-05-2023
- ECLI:NL:OGEAA:2022:208 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 23-06-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:153 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 15-06-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:2103 Rechtbank Rotterdam 02-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4626 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-09-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4326 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-08-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4326 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-08-2021
- ECLI:NL:OGEAA:2021:342 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 15-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2017:10964 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-12-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:6295 Rechtbank Den Haag 01-06-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1796 Gerechtshof Amsterdam 16-05-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2016:7961 Rechtbank Noord-Holland 28-09-2016
- ECLI:NL:RBAMS:2016:5976 Rechtbank Amsterdam 21-09-2016
- ECLI:NL:HR:2016:1050 Hoge Raad 03-06-2016
- ECLI:NL:HR:2016:1051 Hoge Raad 03-06-2016
- ECLI:NL:HR:2016:1048 Hoge Raad 03-06-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2121 Gerechtshof Amsterdam 24-03-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.749 tekens)
26 februari 2016
nr. 15/03528
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2015, nr. 13/00742, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 13/2614) betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 10 november 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 7 april 2013 een personenauto van het merk Honda (hierna: de Honda) geparkeerd op het Singel te Amsterdam ter hoogte van nummer 121 (hierna: de locatie).
2.1.2.
De geparkeerde Honda was de auto van belanghebbendes vriend. De auto van belanghebbende zelf, een personenauto van het merk Daihatsu, stond ten tijde van het parkeren van de Honda elders in Amsterdam geparkeerd met parkeervergunning.
2.1.3.
Ter voldoening van de op de locatie verschuldigde parkeerbelasting heeft belanghebbende abusievelijk het kenteken van haar eigen auto, de Daihatsu, via een applicatie op haar mobiele telefoon aan- en afgemeld bij Parkmobile Benelux B.V. (hierna: Parkmobile).
2.1.4.
Parkmobile heeft aan belanghebbende voor het parkeren op de locatie parkeerbelasting ten bedrage van € 6,17 in rekening gebracht alsmede een bedrag aan kosten.
2.1.5.
Na een controle heeft de heffingsambtenaar geconcludeerd dat voor de geparkeerde Honda geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.1.6.
Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft overwogen dat op de onderhavige situatie het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997, nr. 31657, ECLI:NL:HR:1997:AA3200, BNB 1997/68 (hierna: het arrest BNB 1997/68) van toepassing is. Het Hof heeft op basis daarvan geoordeeld dat de belasting voor het parkeren van de Honda op aangifte is voldaan, ondanks het invoeren van een ander kenteken dan dat van de Honda, aangezien belanghebbende de voor het parkeren verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald. Daarom is naheffen van parkeerbelasting niet toegelaten, aldus het Hof.
2.3.1.
De middelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, komen op tegen ’s Hofs oordeel met het betoog dat het Hof heeft miskend dat het arrest BNB 1997/68 niet van toepassing is op de onderhavige situatie omdat belanghebbende, anders dan in dat arrest het geval was, geen parkeerbelasting voor de geparkeerde auto, de Honda, heeft voldaan.
2.3.2.
De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschieden ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet met toepassing van de AWR en de Invorderingswet 1990 als waren die belastingen rijksbelastingen, behoudens voor zover een afwijkende regeling is getroffen. In de Gemeentewet is toepassing van artikel 20 AWR niet uitgesloten. Ook is geen van artikel 20 AWR afwijkende regeling getroffen met het oog op de vraag wanneer naheffing van parkeerbelasting kan plaatshebben.
In artikel 234, lid 2, van de Gemeentewet wordt wel bepaald wat (uitsluitend) als voldoening op aangifte wordt aangemerkt, maar daarmee is niet de vraag beantwoord of, indien niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, maar de verschuldigde belasting wel is betaald, een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Die vraag moet, nu in de Gemeentewet geen afwijkende regeling is getroffen, worden beantwoord met toepassing van artikel 20 AWR (zie het arrest BNB 1997/68).
2.3.3.
Aangezien vaststaat dat belanghebbende de voor het parkeren van de Honda verschuldigde belasting heeft betaald, brengt de toepassing van artikel 20 AWR mee dat naheffing niet mogelijk is. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.2. is overwogen, doet daaraan niet af dat belanghebbende niet op de voorgeschreven wijze aangifte heeft gedaan doordat zij een ander kenteken heeft vermeld dan het kenteken van het geparkeerde voertuig. De middelen, die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen derhalve.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wordt een griffierecht geheven van € 497.
nr. 15/03528
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2015, nr. 13/00742, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 13/2614) betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 10 november 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft op 7 april 2013 een personenauto van het merk Honda (hierna: de Honda) geparkeerd op het Singel te Amsterdam ter hoogte van nummer 121 (hierna: de locatie).
2.1.2.
De geparkeerde Honda was de auto van belanghebbendes vriend. De auto van belanghebbende zelf, een personenauto van het merk Daihatsu, stond ten tijde van het parkeren van de Honda elders in Amsterdam geparkeerd met parkeervergunning.
2.1.3.
Ter voldoening van de op de locatie verschuldigde parkeerbelasting heeft belanghebbende abusievelijk het kenteken van haar eigen auto, de Daihatsu, via een applicatie op haar mobiele telefoon aan- en afgemeld bij Parkmobile Benelux B.V. (hierna: Parkmobile).
2.1.4.
Parkmobile heeft aan belanghebbende voor het parkeren op de locatie parkeerbelasting ten bedrage van € 6,17 in rekening gebracht alsmede een bedrag aan kosten.
2.1.5.
Na een controle heeft de heffingsambtenaar geconcludeerd dat voor de geparkeerde Honda geen parkeerbelasting was voldaan. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
2.1.6.
Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft overwogen dat op de onderhavige situatie het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997, nr. 31657, ECLI:NL:HR:1997:AA3200, BNB 1997/68 (hierna: het arrest BNB 1997/68) van toepassing is. Het Hof heeft op basis daarvan geoordeeld dat de belasting voor het parkeren van de Honda op aangifte is voldaan, ondanks het invoeren van een ander kenteken dan dat van de Honda, aangezien belanghebbende de voor het parkeren verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald. Daarom is naheffen van parkeerbelasting niet toegelaten, aldus het Hof.
2.3.1.
De middelen, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, komen op tegen ’s Hofs oordeel met het betoog dat het Hof heeft miskend dat het arrest BNB 1997/68 niet van toepassing is op de onderhavige situatie omdat belanghebbende, anders dan in dat arrest het geval was, geen parkeerbelasting voor de geparkeerde auto, de Honda, heeft voldaan.
2.3.2.
De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschieden ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet met toepassing van de AWR en de Invorderingswet 1990 als waren die belastingen rijksbelastingen, behoudens voor zover een afwijkende regeling is getroffen. In de Gemeentewet is toepassing van artikel 20 AWR niet uitgesloten. Ook is geen van artikel 20 AWR afwijkende regeling getroffen met het oog op de vraag wanneer naheffing van parkeerbelasting kan plaatshebben.
In artikel 234, lid 2, van de Gemeentewet wordt wel bepaald wat (uitsluitend) als voldoening op aangifte wordt aangemerkt, maar daarmee is niet de vraag beantwoord of, indien niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan, maar de verschuldigde belasting wel is betaald, een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Die vraag moet, nu in de Gemeentewet geen afwijkende regeling is getroffen, worden beantwoord met toepassing van artikel 20 AWR (zie het arrest BNB 1997/68).
2.3.3.
Aangezien vaststaat dat belanghebbende de voor het parkeren van de Honda verschuldigde belasting heeft betaald, brengt de toepassing van artikel 20 AWR mee dat naheffing niet mogelijk is. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.2. is overwogen, doet daaraan niet af dat belanghebbende niet op de voorgeschreven wijze aangifte heeft gedaan doordat zij een ander kenteken heeft vermeld dan het kenteken van het geparkeerde voertuig. De middelen, die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen derhalve.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, Th. Groeneveld, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wordt een griffierecht geheven van € 497.