Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2926
2016-12-20
Strafrecht
15/04644
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2926 → ECLI:NL:PHR:2016:1293 gevolgd
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Art. 552a Sv. Klaagster n-o in cassatieberoep gelet op art. 134.2 Sv. Voorwerpen reeds teruggegeven.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.237 tekens)
20 december 2016
Strafkamer
nr. S 15/04644 B
IV/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 8 september 2015, nummer RK 15/424, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster]
, geboren op [geboortedatum] 1974.
1De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag "voor zover de goederen reeds zijn teruggegeven" en het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
2Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat de klaagster niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
3.2.
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
"De rechtbank overweegt dat de officier van justitie ter zitting op 24 juni 2015 heeft aangegeven dat alle goederen, behalve de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd (nummers 2, 5, 11, 28, 29, 30 en 40), reeds waren terug gegeven of konden worden terug gegeven.
[betrokkene 1] heeft vervolgens ter zitting op 25 augustus 2015 verklaard dat klaagster na de zitting van 24 juni 2015 diverse goederen heeft terug gekregen, waaronder telefoons. Gegeven de verklaring van [betrokkene 1] en gegeven het feit dat een toelichting van klaagster of haar raadsman ontbreekt, gaat de rechtbank er van uit dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rust, niet langer onder beslag liggen en reeds zijn terug gegeven. De rechtbank verklaart het klaagschrift voor dat deel niet-ontvankelijk."
3.3.
De Rechtbank heeft overwogen dat ervan wordt uitgegaan dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rust, niet langer onder beslag liggen en reeds zijn teruggegeven. Dat oordeel is in het licht van de in de overwegingen van de Rechtbank weergegeven feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank, gelet op art. 134, tweede lid, Sv, de klaagster terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag voor zover dat betrekking heeft op bedoelde goederen. Dat brengt mee dat de klaagster niet kan worden ontvangen in haar cassatieberoep.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016.
Strafkamer
nr. S 15/04644 B
IV/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 8 september 2015, nummer RK 15/424, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster]
, geboren op [geboortedatum] 1974.
1De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag "voor zover de goederen reeds zijn teruggegeven" en het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
2Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat de klaagster niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
3.2.
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
"De rechtbank overweegt dat de officier van justitie ter zitting op 24 juni 2015 heeft aangegeven dat alle goederen, behalve de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd (nummers 2, 5, 11, 28, 29, 30 en 40), reeds waren terug gegeven of konden worden terug gegeven.
[betrokkene 1] heeft vervolgens ter zitting op 25 augustus 2015 verklaard dat klaagster na de zitting van 24 juni 2015 diverse goederen heeft terug gekregen, waaronder telefoons. Gegeven de verklaring van [betrokkene 1] en gegeven het feit dat een toelichting van klaagster of haar raadsman ontbreekt, gaat de rechtbank er van uit dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rust, niet langer onder beslag liggen en reeds zijn terug gegeven. De rechtbank verklaart het klaagschrift voor dat deel niet-ontvankelijk."
3.3.
De Rechtbank heeft overwogen dat ervan wordt uitgegaan dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rust, niet langer onder beslag liggen en reeds zijn teruggegeven. Dat oordeel is in het licht van de in de overwegingen van de Rechtbank weergegeven feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank, gelet op art. 134, tweede lid, Sv, de klaagster terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag voor zover dat betrekking heeft op bedoelde goederen. Dat brengt mee dat de klaagster niet kan worden ontvangen in haar cassatieberoep.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016.