Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:289
2016-03-15
Strafrecht
14/05418
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:289 → ECLI:NL:PHR:2016:105 gevolgd
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Art. 552a Sv. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager zijn teruggegeven. Ingevolge art. 134.2 Sv is het beslag daardoor beëindigd. Gelet hierop is de HR van oordeel dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat klager onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Hetgeen in de schriftuur als belang bij het beroep is aangevoerd met het oog op de vergoeding van de door de klager voldane eigen bijdrage, is ontoereikend om te kunnen gelden als een rechtens te beschermen belang. De HR verklaart daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:PHR:2017:1079 Parket bij de Hoge Raad 11-07-2017
- ECLI:NL:HR:2016:1005 Hoge Raad 07-06-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.912 tekens)
15 maart 2016
Strafkamer
nr. S 14/05418 B
NA/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2014, nummer RK 14/3168, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep in cassatie.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift.
2.2.
Het klaagschrift strekte tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen voorwerpen. De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift. De bestreden beschikking van 8 oktober 2014 houdt dienaangaande het volgende in:
"De officier van justitie heeft voorafgaande aan de zitting reeds verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager. Op 9 oktober 2014, morgen, worden de voorwerpen aan klager teruggegeven.
(...)
Nu de voorwerpen aan klager worden teruggegeven dient klager niet-ontvankelijk in zijn beklag te worden verklaard."
2.3.
Uit de toelichting op het middel blijkt dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager zijn teruggegeven. Ingevolge art. 134, tweede lid, Sv is het beslag daardoor beëindigd. Gelet hierop is de Hoge Raad van oordeel dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de klager onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Hetgeen in de schriftuur als belang bij het beroep is aangevoerd met het oog op de vergoeding van de door de klager voldane eigen bijdrage, is ontoereikend om te kunnen gelden als een rechtens te beschermen belang. De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2016.
Strafkamer
nr. S 14/05418 B
NA/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2014, nummer RK 14/3168, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beroep in cassatie.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift.
2.2.
Het klaagschrift strekte tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen voorwerpen. De Rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift. De bestreden beschikking van 8 oktober 2014 houdt dienaangaande het volgende in:
"De officier van justitie heeft voorafgaande aan de zitting reeds verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager. Op 9 oktober 2014, morgen, worden de voorwerpen aan klager teruggegeven.
(...)
Nu de voorwerpen aan klager worden teruggegeven dient klager niet-ontvankelijk in zijn beklag te worden verklaard."
2.3.
Uit de toelichting op het middel blijkt dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager zijn teruggegeven. Ingevolge art. 134, tweede lid, Sv is het beslag daardoor beëindigd. Gelet hierop is de Hoge Raad van oordeel dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de klager onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Hetgeen in de schriftuur als belang bij het beroep is aangevoerd met het oog op de vergoeding van de door de klager voldane eigen bijdrage, is ontoereikend om te kunnen gelden als een rechtens te beschermen belang. De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2016.