Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2885
2016-12-16
Civiel recht
15/04731
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2885 → ECLI:NL:PHR:2016:1004 gevolgd
Inhoudsindicatie
Contractenrecht. Koopovereenkomst woning met agrarische bestemming. Is sprake van bijzondere last of beperking (art. 7:15 BW)? Dwaling, art. 6:228 BW. Verhouding mededelingsplicht en onderzoeksplicht; eigen schuld, art. 6:101 lid 1 BW. Samenhang met 15/04494 en 15/04491.
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:2015:159 Hoge Raad 30-01-2015
- ECLI:NL:HR:2004:AN9072 Hoge Raad 27-02-2004
- ECLI:NL:HR:2008:BC2800 Hoge Raad 25-04-2008
- ECLI:NL:HR:1973:AC5383 Hoge Raad 30-11-1973
- ECLI:NL:HR:2008:BF0407 Hoge Raad 14-11-2008
Geciteerd door (47)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6426 Rechtbank Gelderland 05-08-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2025:5639 Rechtbank Noord-Nederland 24-12-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:9482 Rechtbank Amsterdam 03-12-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:9511 Rechtbank Limburg 20-08-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2102 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:788 Parket bij de Hoge Raad 11-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1591 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3032 Rechtbank Gelderland 16-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:2380 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1220 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-03-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7859 Rechtbank Midden-Nederland 11-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:7034 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-11-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:4208 Rechtbank Overijssel 06-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2209 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:633 Parket bij de Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3466 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2024
- ECLI:NL:HR:2024:521 Hoge Raad 05-04-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:50 Gerechtshof Amsterdam 09-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1072 Parket bij de Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1072 Parket bij de Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1072 Parket bij de Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1072 Parket bij de Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1072 Parket bij de Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1072 Parket bij de Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:3863 Rechtbank Overijssel 06-10-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:3506 Rechtbank Overijssel 30-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6561 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-08-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1774 Rechtbank Gelderland 29-03-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:553 Rechtbank Overijssel 08-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:126 Rechtbank Den Haag 11-01-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5789 Rechtbank Gelderland 12-10-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5789 Rechtbank Gelderland 12-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:117 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:918 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:53 Parket bij de Hoge Raad 22-01-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3531 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:3674 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-05-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3179 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-08-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:329 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:331 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:332 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:330 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2019
- ECLI:NL:RBMNE:2019:201 Rechtbank Midden-Nederland 23-01-2019
- ECLI:NL:GHARL:2018:7335 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:396 Parket bij de Hoge Raad 06-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1286 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1987 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-05-2017
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.963 tekens)
16 december 2016
Eerste Kamer
15/04731
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
1. [verweerder 1],
2. [verweerster 2],beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder] c.s.
1Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 103853/HA ZA 10-727 van de rechtbank te Roermond van 2 maart 2011, 6 juli 2011 en 12 september 2012;
b. de arresten in de zaak HD 200.117.720/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 december 2013, 13 mei 2014, verbeterd bij arrest van 24 juni 2014, en 16 juni 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
i) In 1995 hebben [betrokkene 1] en zijn toenmalige echtgenote [eiseres] de eigendom verworven van een voormalige boerderij met bijgebouwen en gronden, gelegen te [plaats] (hierna: de woning).
ii) De woning is gelegen in een gebied met een agrarische bestemming. In dit gebied waren grootschalige planologische ontwikkelingen voorzien of gaande, leidende tot de komst van megastallen.
iii) [betrokkene 1] en [eiseres] zijn in de woning gaan wonen en [betrokkene 1] heeft in de bijgebouwen een tandtechnisch laboratorium gehad. Vooraf had [betrokkene 1] aan de gemeente om toestemming voor het voorgenomen gebruik gevraagd. In juni 1995 heeft de gemeente aan [betrokkene 1] geschreven:
“In antwoord op uw bovenvermelde brief berichten wij u, dat wij in onze vergadering van 27 juni 1995 hebben besloten, om aan u toestemming te verlenen voor het gebruik van het pand (…) te Grubbenvorst als hieronder beschreven.
Het is u toegestaan het pand te gebruiken voor bewoning.
Het is u tevens toegestaan om in het pand een ruimte in te richten voor het uitoefenen van uw tandtechnisch beroep. (…)”
iv) In februari 2007 zijn [betrokkene 1] en [eiseres] van echt gescheiden. Feitelijk was [betrokkene 1] reeds in oktober 2005 uit de woning vertrokken.
v) Bij schriftelijke koopovereenkomst van 1 oktober 2007 hebben [betrokkene 1] en [eiseres] de woning verkocht aan [verweerder] c.s. voor € 435.000,-- (hierna: de koopovereenkomst). Voorafgaand aan de koopovereenkomst hebben [verweerder] c.s. uitsluitend contact gehad met [eiseres]. Levering heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008.
3.2.1
[verweerder] c.s. hebben in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, aangevoerd dat zij bij het sluiten van de koopovereenkomst hebben gedwaald. Zij hebben in eerste aanleg vermindering gevorderd van de kooprijs ter opheffing van het door hen geleden nadeel met een bedrag van € 166.770,--. Subsidiair hebben zij aan deze vordering ten grondslag gelegd dat op de woning een bijzondere last of beperking rust in de zin van art. 7:15 BW. Zij hebben tevens aanspraak op vergoeding van kosten gemaakt.
3.2.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis vernietigd. Het heeft [betrokkene 1] en [eiseres] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [verweerder] c.s. van € 70.000,--, met wettelijke rente. Het hof heeft verstaan dat de kosten van de deskundige voor de helft door elk van partijen moeten worden gedragen.
3.2.3
Aan zijn oordelen heeft het hof – voor zover in cassatie van belang – in zijn tussenarrest van 17 december 2013 het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder] c.s. hebben zich in hoger beroep mede beroepen op non-conformiteit (art. 7:17 BW). Die grondslag moet op processuele gronden buiten beschouwing worden gelaten voor het beroep op de planologische ontwikkelingen, maar kan wel worden behandeld voor het verwijt dat [eiseres] [verweerder] c.s. had moeten wijzen op de agrarische bestemming (rov. 5.4.5-6).
Ten aanzien van de planologische ontwikkelingen kan niet worden gezegd dat [eiseres] haar mededelingsplicht heeft verzaakt (rov. 5.9.3-5).
Wat betreft de agrarische bestemming geldt dat [eiseres] wist dat de woning formeel een agrarische bestemming had. [eiseres] behoorde dit op grond van art. 7:15 BW aan [verweerder] c.s. te melden. De aan [betrokkene 1] door de gemeente verleende toestemming (zie hiervoor in 3.1 onder (iii)) gold hem en niet automatisch zijn rechtsverkrijgers. Art. 7:17 BW mist toepassing nu een situatie als bedoeld in art. 7:15 BW aan de orde is en geen sprake is van materiële gebreken aan de woning. De feitelijke situatie is weliswaar al lange tijd door de gemeente getolereerd, maar [verweerder] c.s. zullen de agrarische bestemming aan aspirant-kopers moeten melden, hetgeen een waardedrukkende invloed op de woning kan hebben. (rov. 5.10.4-8)
3.2.4
Na deskundigenbericht heeft het hof in zijn eindarrest – deels terugkomend van zijn hiervoor weergegeven tussenarrest – overwogen dat de schade van [verweerder] c.s. bestaat uit het verschil tussen de waarde van de woning op de vrije markt indien de woning een woonbestemming had, en de waarde van de woning met een agrarische bestemming (rov. 12.13). Dit verschil bedraagt € 70.000,-- (rov. 12.20-12.30). Vervolgens heeft het hof overwogen:
“12.42. Het hof verwijst naar r.o. 5.10.7 en 5.10.8 uit het tussenarrest van 17 december 2013, waarin besloten ligt dat naar het oordeel van het hof in verband met schending van de mededelingsplicht in verband met de woonbestemming enkel sprake is van schending van art. 7:15 BW en niet van art. 7:17 BW. Om die redenen is art. 7:23 BW niet van toepassing. Het hof heeft aldaar niet bedoeld te overwegen dat daarnaast, in verband met de schending van de mededelingsplicht, niet tevens sprake zou kunnen zijn van dwaling. De rechtbank heeft overwogen dat de vordering (enkel) was gebaseerd op dwaling en niet op art. 7:17 BW; met dat laatste is het hof het eens. Naar ’s hofs oordeel kan de vordering zowel op dwaling als op art. 7:15 BW worden gebaseerd. [verweerder] heeft blijkens randnummers 62 en 64 van de memorie van grieven ook uitdrukkelijk zijn vordering zowel gebaseerd op dwaling als op art. 7:15 BW. (…)
(…)
12.46.
[betrokkene 1] en [eiseres] hebben nog aangevoerd dat [verweerder] zelf had kunnen ontdekken dat de woning geen woonbestemming had. Dat moet volgens hen leiden tot de slotsom dat sprake is van eigen schuld ex artikel 6:101 BW en/of tot de constatering dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is het waardeverschil aan [verweerder] toe te wijzen. Het hof verwerpt die stelling en daarmee beide verweren. Zoals reeds in het tussenarrest van 17 december 2013 is overwogen, rustte op [eiseres] een mededelingsplicht. Het hof is van oordeel dat die mededelingsplicht in dit geval gaat voor een onderzoeksplicht van [verweerder] en dat honoreren van het verweer van [betrokkene 1] en/of [eiseres] ertoe zou leiden dat aan het uitgangspunt dat de mededelingsplicht vóór de onderzoeksplicht dient te gaan afbreuk zou worden gedaan, althans dat dan aan de onderzoeksplicht een te grote betekenis zou worden toegekend.
12.47.
Het vorenstaande betekent dat de vordering van [verweerder] toewijsbaar is tot een bedrag, groot € 70.000,--.
(…)”
3.2.5
Tegen de tussenarresten en het eindarrest hebben [betrokkene 1] en [eiseres] afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. Deze uitspraak betreft het cassatieberoep van [eiseres]. De Hoge Raad heeft heden ook arrest gewezen op het cassatieberoep van [betrokkene 1] (nr. 15/04494).
3.3
Onderdeel 1 klaagt dat het hof de agrarische bestemming van de woning ten onrechte heeft aangemerkt als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 BW. Deze klacht is gegrond. De agrarische bestemming van de woning volgt uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Van een ‘bijzondere’ publiekrechtelijke last of beperking in de zin van art. 7:15 BW is echter alleen sprake indien deze haar grondslag vindt in een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit (zie HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, waarin de Hoge Raad gedeeltelijk is teruggekomen van HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635). Het hof was in zijn einduitspraak niet gebonden aan de onjuiste toepassing van art. 7:15 BW in zijn – vóór het genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015 gewezen – tussenarrest van 2013, en diende, nadat partijen de gelegenheid hadden gekregen zich dienaangaande uit te laten, de daarop betrekking hebbende eindbeslissing te heroverwegen om te voorkomen dat zijn einduitspraak aan vernietiging in cassatie zou blootstaan vanwege de ondeugdelijke juridische grondslag daarvan (zie HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553).
3.4
Nu onderdeel 1 slaagt, resteren als grondslagen voor de vorderingen van [verweerder] c.s. jegens [eiseres] in verband met de agrarische bestemming van de woning nog hun beroep op art. 7:17 BW (non-conformiteit) en dwaling.
De in de loop van het geding in hoger beroep aangevoerde grondslag van art. 7:17 BW (non-conformiteit) heeft het hof toelaatbaar geoordeeld (rov. 5.4.6 en 5.10.1 van het tussenarrest van 17 december 2013), maar buiten behandeling gelaten – evenals het tegen die grondslag gerichte beroep van [eiseres] op verjaring ingevolge art. 7:23 BW – omdat het van oordeel was dat het beroep op art. 7:15 BW slaagde (rov. 5.10.7 en 5.10.8 van dat tussenarrest).
In rov. 12.42 van het eindarrest heeft het hof overwogen dat de vordering van [verweerder] c.s. ook kan worden gebaseerd op dwaling en dat [verweerder] c.s. daarop ook een beroep hebben gedaan. [eiseres] is daartegen in cassatie niet opgekomen. In de erop volgende overwegingen 12.43-12.47 heeft het hof het veronderstelde beroep op dwaling evenwel kennelijk niet ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de vordering van [verweerder] c.s. toewijsbaar is tot een bedrag van € 70.000,--. Na verwijzing kan het beroep op dwaling zo nodig alsnog worden beoordeeld.
Opmerking verdient overigens dat het oordeel van het hof (in de tweede alinea van rov. 5.10.4) dat [eiseres], gelet op haar wetenschap van de agrarische bestemming, aan [verweerder] c.s. behoorde te melden dat de woning een bestemming heeft die afbreuk kan doen aan het voorgenomen gebruik daarvan door [verweerder] c.s., voortbouwt op het onjuiste oordeel dat art. 7:15 BW van toepassing is. Na verwijzing zal dan ook opnieuw, maar dan in het kader van art. 7:17 BW of art. 6:228 lid 1, aanhef en onder b, BW, moeten worden beoordeeld of op [eiseres] ter zake van de agrarische bestemming een mededelingsplicht rustte. Voor die beoordeling kan – anders dan bij toepassing van art. 7:15 BW (welke bepaling immers een uitdrukkelijke aanvaarding van de bijzondere lasten en beperkingen door de koper vereist om aansprakelijkheid van de verkoper te voorkomen) – mede van belang zijn of [eiseres] redelijkerwijs ervan uit mocht gaan dat [verweerder] c.s. ter zake zelf onderzoek zouden verrichten.
In verband met het voorgaande heeft [eiseres] belang bij de klachten van onderdeel 2. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
3.5.1
Onderdeel 2 is gericht tegen de verwerping in rov. 12.46 (zie hiervoor in 3.2.4) van het verweer van [betrokkene 1] en [eiseres] dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verweerder] c.s.
3.5.2
Bij de beoordeling van dit onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Indien de verkoper vóór de totstandkoming van de overeenkomst aan de koper bepaalde inlichtingen had behoren te geven teneinde te voorkomen dat de koper zich omtrent het desbetreffende punt een onjuiste voorstelling zou maken, verzetten redelijkheid en billijkheid zich in het algemeen ertegen dat de verkoper ter afwering van een beroep op dwaling of non-conformiteit aanvoert dat de koper het ontstaan van de onjuiste voorstelling mede aan zichzelf heeft te wijten (vgl. voor dwaling HR 30 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5383, NJ 1974/97 (Van der Beek/Van Dartel), en voor non-conformiteit HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0407, NJ 2008/588 ([...]/Kampen)). Dat neemt echter niet weg dat een eventueel uit schending van de mededelingsplicht voortvloeiende verplichting van de verkoper tot schadevergoeding, op de voet van art. 6:101 lid 1 BW kan worden verminderd indien de onjuiste voorstelling van zaken mede is te wijten aan de koper, bijvoorbeeld door gebrek aan onderzoek aan zijn zijde.
3.5.3
Het oordeel van het hof in rov. 12.46 berust in het licht van het voorgaande op een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 2 slaagt derhalve.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 december 2013, 13 mei 2014 en 16 juni 2015, voor zover gewezen tussen [verweerder] c.s. en [eiseres];
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 501,31 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 16 december 2016.
Eerste Kamer
15/04731
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
1. [verweerder 1],
2. [verweerster 2],beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder] c.s.
1Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 103853/HA ZA 10-727 van de rechtbank te Roermond van 2 maart 2011, 6 juli 2011 en 12 september 2012;
b. de arresten in de zaak HD 200.117.720/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 december 2013, 13 mei 2014, verbeterd bij arrest van 24 juni 2014, en 16 juni 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
i) In 1995 hebben [betrokkene 1] en zijn toenmalige echtgenote [eiseres] de eigendom verworven van een voormalige boerderij met bijgebouwen en gronden, gelegen te [plaats] (hierna: de woning).
ii) De woning is gelegen in een gebied met een agrarische bestemming. In dit gebied waren grootschalige planologische ontwikkelingen voorzien of gaande, leidende tot de komst van megastallen.
iii) [betrokkene 1] en [eiseres] zijn in de woning gaan wonen en [betrokkene 1] heeft in de bijgebouwen een tandtechnisch laboratorium gehad. Vooraf had [betrokkene 1] aan de gemeente om toestemming voor het voorgenomen gebruik gevraagd. In juni 1995 heeft de gemeente aan [betrokkene 1] geschreven:
“In antwoord op uw bovenvermelde brief berichten wij u, dat wij in onze vergadering van 27 juni 1995 hebben besloten, om aan u toestemming te verlenen voor het gebruik van het pand (…) te Grubbenvorst als hieronder beschreven.
Het is u toegestaan het pand te gebruiken voor bewoning.
Het is u tevens toegestaan om in het pand een ruimte in te richten voor het uitoefenen van uw tandtechnisch beroep. (…)”
iv) In februari 2007 zijn [betrokkene 1] en [eiseres] van echt gescheiden. Feitelijk was [betrokkene 1] reeds in oktober 2005 uit de woning vertrokken.
v) Bij schriftelijke koopovereenkomst van 1 oktober 2007 hebben [betrokkene 1] en [eiseres] de woning verkocht aan [verweerder] c.s. voor € 435.000,-- (hierna: de koopovereenkomst). Voorafgaand aan de koopovereenkomst hebben [verweerder] c.s. uitsluitend contact gehad met [eiseres]. Levering heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008.
3.2.1
[verweerder] c.s. hebben in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, aangevoerd dat zij bij het sluiten van de koopovereenkomst hebben gedwaald. Zij hebben in eerste aanleg vermindering gevorderd van de kooprijs ter opheffing van het door hen geleden nadeel met een bedrag van € 166.770,--. Subsidiair hebben zij aan deze vordering ten grondslag gelegd dat op de woning een bijzondere last of beperking rust in de zin van art. 7:15 BW. Zij hebben tevens aanspraak op vergoeding van kosten gemaakt.
3.2.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft het vonnis vernietigd. Het heeft [betrokkene 1] en [eiseres] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [verweerder] c.s. van € 70.000,--, met wettelijke rente. Het hof heeft verstaan dat de kosten van de deskundige voor de helft door elk van partijen moeten worden gedragen.
3.2.3
Aan zijn oordelen heeft het hof – voor zover in cassatie van belang – in zijn tussenarrest van 17 december 2013 het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder] c.s. hebben zich in hoger beroep mede beroepen op non-conformiteit (art. 7:17 BW). Die grondslag moet op processuele gronden buiten beschouwing worden gelaten voor het beroep op de planologische ontwikkelingen, maar kan wel worden behandeld voor het verwijt dat [eiseres] [verweerder] c.s. had moeten wijzen op de agrarische bestemming (rov. 5.4.5-6).
Ten aanzien van de planologische ontwikkelingen kan niet worden gezegd dat [eiseres] haar mededelingsplicht heeft verzaakt (rov. 5.9.3-5).
Wat betreft de agrarische bestemming geldt dat [eiseres] wist dat de woning formeel een agrarische bestemming had. [eiseres] behoorde dit op grond van art. 7:15 BW aan [verweerder] c.s. te melden. De aan [betrokkene 1] door de gemeente verleende toestemming (zie hiervoor in 3.1 onder (iii)) gold hem en niet automatisch zijn rechtsverkrijgers. Art. 7:17 BW mist toepassing nu een situatie als bedoeld in art. 7:15 BW aan de orde is en geen sprake is van materiële gebreken aan de woning. De feitelijke situatie is weliswaar al lange tijd door de gemeente getolereerd, maar [verweerder] c.s. zullen de agrarische bestemming aan aspirant-kopers moeten melden, hetgeen een waardedrukkende invloed op de woning kan hebben. (rov. 5.10.4-8)
3.2.4
Na deskundigenbericht heeft het hof in zijn eindarrest – deels terugkomend van zijn hiervoor weergegeven tussenarrest – overwogen dat de schade van [verweerder] c.s. bestaat uit het verschil tussen de waarde van de woning op de vrije markt indien de woning een woonbestemming had, en de waarde van de woning met een agrarische bestemming (rov. 12.13). Dit verschil bedraagt € 70.000,-- (rov. 12.20-12.30). Vervolgens heeft het hof overwogen:
“12.42. Het hof verwijst naar r.o. 5.10.7 en 5.10.8 uit het tussenarrest van 17 december 2013, waarin besloten ligt dat naar het oordeel van het hof in verband met schending van de mededelingsplicht in verband met de woonbestemming enkel sprake is van schending van art. 7:15 BW en niet van art. 7:17 BW. Om die redenen is art. 7:23 BW niet van toepassing. Het hof heeft aldaar niet bedoeld te overwegen dat daarnaast, in verband met de schending van de mededelingsplicht, niet tevens sprake zou kunnen zijn van dwaling. De rechtbank heeft overwogen dat de vordering (enkel) was gebaseerd op dwaling en niet op art. 7:17 BW; met dat laatste is het hof het eens. Naar ’s hofs oordeel kan de vordering zowel op dwaling als op art. 7:15 BW worden gebaseerd. [verweerder] heeft blijkens randnummers 62 en 64 van de memorie van grieven ook uitdrukkelijk zijn vordering zowel gebaseerd op dwaling als op art. 7:15 BW. (…)
(…)
12.46.
[betrokkene 1] en [eiseres] hebben nog aangevoerd dat [verweerder] zelf had kunnen ontdekken dat de woning geen woonbestemming had. Dat moet volgens hen leiden tot de slotsom dat sprake is van eigen schuld ex artikel 6:101 BW en/of tot de constatering dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is het waardeverschil aan [verweerder] toe te wijzen. Het hof verwerpt die stelling en daarmee beide verweren. Zoals reeds in het tussenarrest van 17 december 2013 is overwogen, rustte op [eiseres] een mededelingsplicht. Het hof is van oordeel dat die mededelingsplicht in dit geval gaat voor een onderzoeksplicht van [verweerder] en dat honoreren van het verweer van [betrokkene 1] en/of [eiseres] ertoe zou leiden dat aan het uitgangspunt dat de mededelingsplicht vóór de onderzoeksplicht dient te gaan afbreuk zou worden gedaan, althans dat dan aan de onderzoeksplicht een te grote betekenis zou worden toegekend.
12.47.
Het vorenstaande betekent dat de vordering van [verweerder] toewijsbaar is tot een bedrag, groot € 70.000,--.
(…)”
3.2.5
Tegen de tussenarresten en het eindarrest hebben [betrokkene 1] en [eiseres] afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. Deze uitspraak betreft het cassatieberoep van [eiseres]. De Hoge Raad heeft heden ook arrest gewezen op het cassatieberoep van [betrokkene 1] (nr. 15/04494).
3.3
Onderdeel 1 klaagt dat het hof de agrarische bestemming van de woning ten onrechte heeft aangemerkt als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 BW. Deze klacht is gegrond. De agrarische bestemming van de woning volgt uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Van een ‘bijzondere’ publiekrechtelijke last of beperking in de zin van art. 7:15 BW is echter alleen sprake indien deze haar grondslag vindt in een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit (zie HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, waarin de Hoge Raad gedeeltelijk is teruggekomen van HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635). Het hof was in zijn einduitspraak niet gebonden aan de onjuiste toepassing van art. 7:15 BW in zijn – vóór het genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015 gewezen – tussenarrest van 2013, en diende, nadat partijen de gelegenheid hadden gekregen zich dienaangaande uit te laten, de daarop betrekking hebbende eindbeslissing te heroverwegen om te voorkomen dat zijn einduitspraak aan vernietiging in cassatie zou blootstaan vanwege de ondeugdelijke juridische grondslag daarvan (zie HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553).
3.4
Nu onderdeel 1 slaagt, resteren als grondslagen voor de vorderingen van [verweerder] c.s. jegens [eiseres] in verband met de agrarische bestemming van de woning nog hun beroep op art. 7:17 BW (non-conformiteit) en dwaling.
De in de loop van het geding in hoger beroep aangevoerde grondslag van art. 7:17 BW (non-conformiteit) heeft het hof toelaatbaar geoordeeld (rov. 5.4.6 en 5.10.1 van het tussenarrest van 17 december 2013), maar buiten behandeling gelaten – evenals het tegen die grondslag gerichte beroep van [eiseres] op verjaring ingevolge art. 7:23 BW – omdat het van oordeel was dat het beroep op art. 7:15 BW slaagde (rov. 5.10.7 en 5.10.8 van dat tussenarrest).
In rov. 12.42 van het eindarrest heeft het hof overwogen dat de vordering van [verweerder] c.s. ook kan worden gebaseerd op dwaling en dat [verweerder] c.s. daarop ook een beroep hebben gedaan. [eiseres] is daartegen in cassatie niet opgekomen. In de erop volgende overwegingen 12.43-12.47 heeft het hof het veronderstelde beroep op dwaling evenwel kennelijk niet ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de vordering van [verweerder] c.s. toewijsbaar is tot een bedrag van € 70.000,--. Na verwijzing kan het beroep op dwaling zo nodig alsnog worden beoordeeld.
Opmerking verdient overigens dat het oordeel van het hof (in de tweede alinea van rov. 5.10.4) dat [eiseres], gelet op haar wetenschap van de agrarische bestemming, aan [verweerder] c.s. behoorde te melden dat de woning een bestemming heeft die afbreuk kan doen aan het voorgenomen gebruik daarvan door [verweerder] c.s., voortbouwt op het onjuiste oordeel dat art. 7:15 BW van toepassing is. Na verwijzing zal dan ook opnieuw, maar dan in het kader van art. 7:17 BW of art. 6:228 lid 1, aanhef en onder b, BW, moeten worden beoordeeld of op [eiseres] ter zake van de agrarische bestemming een mededelingsplicht rustte. Voor die beoordeling kan – anders dan bij toepassing van art. 7:15 BW (welke bepaling immers een uitdrukkelijke aanvaarding van de bijzondere lasten en beperkingen door de koper vereist om aansprakelijkheid van de verkoper te voorkomen) – mede van belang zijn of [eiseres] redelijkerwijs ervan uit mocht gaan dat [verweerder] c.s. ter zake zelf onderzoek zouden verrichten.
In verband met het voorgaande heeft [eiseres] belang bij de klachten van onderdeel 2. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
3.5.1
Onderdeel 2 is gericht tegen de verwerping in rov. 12.46 (zie hiervoor in 3.2.4) van het verweer van [betrokkene 1] en [eiseres] dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verweerder] c.s.
3.5.2
Bij de beoordeling van dit onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Indien de verkoper vóór de totstandkoming van de overeenkomst aan de koper bepaalde inlichtingen had behoren te geven teneinde te voorkomen dat de koper zich omtrent het desbetreffende punt een onjuiste voorstelling zou maken, verzetten redelijkheid en billijkheid zich in het algemeen ertegen dat de verkoper ter afwering van een beroep op dwaling of non-conformiteit aanvoert dat de koper het ontstaan van de onjuiste voorstelling mede aan zichzelf heeft te wijten (vgl. voor dwaling HR 30 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5383, NJ 1974/97 (Van der Beek/Van Dartel), en voor non-conformiteit HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0407, NJ 2008/588 ([...]/Kampen)). Dat neemt echter niet weg dat een eventueel uit schending van de mededelingsplicht voortvloeiende verplichting van de verkoper tot schadevergoeding, op de voet van art. 6:101 lid 1 BW kan worden verminderd indien de onjuiste voorstelling van zaken mede is te wijten aan de koper, bijvoorbeeld door gebrek aan onderzoek aan zijn zijde.
3.5.3
Het oordeel van het hof in rov. 12.46 berust in het licht van het voorgaande op een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 2 slaagt derhalve.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 december 2013, 13 mei 2014 en 16 juni 2015, voor zover gewezen tussen [verweerder] c.s. en [eiseres];
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 501,31 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 16 december 2016.