Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2233
2016-09-30
Civiel recht
16/00747
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:2233 → ECLI:NL:GHSHE:2016:453 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2233 → ECLI:NL:PHR:2016:837 gevolgd
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Procesbevoegdheid in burgerlijk geding. Door Productschap Zuivel opgelegde superheffing; inning daarvan nadat productschap is opgeheven. Komt procesbevoegdheid toe aan de Staat of aan de minister? Op de regel dat procesbevoegdheid alleen toekomt aan natuurlijke personen en rechtspersonen, valt uitsluitend uitzondering aan te nemen als daartoe bijzondere grond bestaat. Uitleg van art. XXXIX lid 4 en art. XLIX Wet opheffing bedrijfslichamen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1983:AG4696 Hoge Raad 25-11-1983
- ECLI:NL:HR:2014:3653 Hoge Raad 19-12-2014
Geciteerd door (27)
- ECLI:NL:RBROT:2026:3436 Rechtbank Rotterdam 23-03-2026
- ECLI:NL:OGEAC:2024:22 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 19-02-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2023:4834 Rechtbank Overijssel 28-11-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2434 Rechtbank Limburg 12-04-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:77 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 03-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:966 Parket bij de Hoge Raad 21-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:966 Parket bij de Hoge Raad 21-10-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:273 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 30-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1143 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:28 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 22-02-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:173 Gerechtshof Den Haag 02-02-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13158 Rechtbank Den Haag 09-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:788 Parket bij de Hoge Raad 04-09-2020
- ECLI:NL:OGEAM:2020:50 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 19-06-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2019:202 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 10-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:106 Parket bij de Hoge Raad 25-01-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1424 Parket bij de Hoge Raad 14-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:695 Parket bij de Hoge Raad 15-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:695 Parket bij de Hoge Raad 15-06-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:1003 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-01-2018
- ECLI:NL:RBMNE:2018:236 Rechtbank Midden-Nederland 24-01-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4111 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-09-2017
- ECLI:NL:OGEAM:2017:67 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 21-09-2017
- ECLI:NL:RBOVE:2017:2890 Rechtbank Overijssel 05-07-2017
- ECLI:NL:OGEABES:2017:14 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15-06-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:78 Rechtbank Gelderland 05-01-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2016:14329 Rechtbank Den Haag 15-11-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (6.799 tekens)
30 september 2016
Eerste Kamer
16/00747
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
VREBAMEL B.V.,gevestigd te Vredepeel, gemeente Venray,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. B.J. van Dorp,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken),zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Vrebamel en de Staat.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/03/211653/FT RK 15/1404 van de rechtbank Limburg van 13 oktober 2015;
b. het arrest in de zaak 200.178.782/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Vrebamel beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. M.H.K. Jansen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Vrebamel heeft bij brief van 22 juli 2016 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
De Staat verzoekt in dit geding het faillissement uit te spreken van Vrebamel. De Staat stelt een vordering op Vrebamel te hebben van € 6.052.026,31. Deze vordering heeft betrekking op door het Productschap Zuivel opgelegde superheffingen die Vrebamel onbetaald heeft gelaten. Deze vordering is in verband met de opheffing van het productschap overgegaan op de Staat.
3.2.1
De rechtbank heeft de Staat niet-ontvankelijk in zijn verzoek verklaard op een in cassatie niet meer van belang zijnde grond.
3.2.2
Het hof heeft het faillissement van Vrebamel uitgesproken. Het hof heeft het verweer van Vrebamel verworpen dat de Staat niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat alleen de minister van Economische Zaken bevoegd is om te procederen met betrekking tot de gestelde vordering.
3.3.1
Het middel heeft uitsluitend betrekking op de verwerping van laatstgenoemd verweer.
3.3.2
Met de invoering van de Wet opheffing bedrijfslichamen is per 1 januari 2015 het Productschap Zuivel opgeheven. Voor zover van belang bevat de Wet opheffing bedrijfslichamen de volgende bepalingen.
“Artikel XXXVII
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet [1 januari 2015; toevoeging Hoge Raad] gaan alle vermogensbestanddelen van het (…) Productschap Zuivel (…) onder algemene titel over op de staat zonder dat daarvoor een akte of betekening nodig is.
(…)
Artikel XXXIX
1. Onze Minister [de minister van Economische Zaken; toevoeging Hoge Raad] is belast met de vereffening van het vermogen van de in artikel XXXVII, eerste lid, genoemde bedrijfslichamen.
(…)
3. Onze Minister is bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogen van een bedrijfslichaam, waaronder het vervreemden van onroerende en roerende zaken en het voldoen en innen van vorderingen.
4. Rechtsvorderingen welke tot het vermogen van het bedrijfslichaam behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden ingesteld door Onze Minister onderscheidenlijk tegen de staat.
Artikel XLIX
1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij een bedrijfslichaam is betrokken, treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet Onze Minister in de plaats van het bedrijfslichaam.
2. Onze Minister treedt voorts in de plaats van de bedrijfslichamen in wettelijke procedures en rechtsgedingen die aanvangen na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet.”
3.3.3
Vrebamel betoogt dat op grond van het hiervoor weergegeven art. XXXIX Wet opheffing bedrijfslichamen de minister van Economische Zaken, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van het vermogen van het voormalig Productschap Zuivel, exclusief bevoegd is om met betrekking tot de openstaande vorderingen van dat productschap te procederen en dus onder meer om een verzoek tot faillietverklaring in verband met een dergelijke vordering te doen.
3.4.1
Dit betoog is terecht door het hof verworpen. De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Een uitzondering hierop valt uitsluitend aan te nemen als daartoe een bijzondere grond bestaat, zoals in het geval dat de wet een orgaan van een rechtspersoon uitdrukkelijk procesbevoegdheid toekent. (Vgl. o.m. HR 25 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4696, NJ 1984/297) Voor het aannemen van procesbevoegdheid is ontoereikend dat de wet het orgaan vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent, al dan niet in rechte (vgl. o.m. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3653, NJ 2015/36).
3.4.2
Art. XXXIX lid 4 Wet opheffing bedrijfslichamen, op welke bepaling het betoog van Vrebamel in hoofdzaak berust, is, waar het spreekt over het instellen van rechtsvorderingen door de minister, aldus te verstaan dat het betrekking heeft op diens vertegenwoordigingsbevoegdheid. Hetzelfde geldt voor art. XLIX Wet opheffing bedrijfslichamen voor zover het burgerlijke gedingen betreft. Uit de wet en de wetsgeschiedenis (aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5) blijkt immers niet dat is beoogd om de minister procesbevoegdheid toe te kennen. Een bijzondere grond voor het aannemen van die bevoegdheid valt ook niet aan de wet of de wetsgeschiedenis te ontlenen.
3.5
Het middel is dus ongegrond.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 september 2016.
Eerste Kamer
16/00747
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
VREBAMEL B.V.,gevestigd te Vredepeel, gemeente Venray,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. B.J. van Dorp,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken),zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Vrebamel en de Staat.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/03/211653/FT RK 15/1404 van de rechtbank Limburg van 13 oktober 2015;
b. het arrest in de zaak 200.178.782/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Vrebamel beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. M.H.K. Jansen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Vrebamel heeft bij brief van 22 juli 2016 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
De Staat verzoekt in dit geding het faillissement uit te spreken van Vrebamel. De Staat stelt een vordering op Vrebamel te hebben van € 6.052.026,31. Deze vordering heeft betrekking op door het Productschap Zuivel opgelegde superheffingen die Vrebamel onbetaald heeft gelaten. Deze vordering is in verband met de opheffing van het productschap overgegaan op de Staat.
3.2.1
De rechtbank heeft de Staat niet-ontvankelijk in zijn verzoek verklaard op een in cassatie niet meer van belang zijnde grond.
3.2.2
Het hof heeft het faillissement van Vrebamel uitgesproken. Het hof heeft het verweer van Vrebamel verworpen dat de Staat niet-ontvankelijk is in zijn verzoek omdat alleen de minister van Economische Zaken bevoegd is om te procederen met betrekking tot de gestelde vordering.
3.3.1
Het middel heeft uitsluitend betrekking op de verwerping van laatstgenoemd verweer.
3.3.2
Met de invoering van de Wet opheffing bedrijfslichamen is per 1 januari 2015 het Productschap Zuivel opgeheven. Voor zover van belang bevat de Wet opheffing bedrijfslichamen de volgende bepalingen.
“Artikel XXXVII
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet [1 januari 2015; toevoeging Hoge Raad] gaan alle vermogensbestanddelen van het (…) Productschap Zuivel (…) onder algemene titel over op de staat zonder dat daarvoor een akte of betekening nodig is.
(…)
Artikel XXXIX
1. Onze Minister [de minister van Economische Zaken; toevoeging Hoge Raad] is belast met de vereffening van het vermogen van de in artikel XXXVII, eerste lid, genoemde bedrijfslichamen.
(…)
3. Onze Minister is bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogen van een bedrijfslichaam, waaronder het vervreemden van onroerende en roerende zaken en het voldoen en innen van vorderingen.
4. Rechtsvorderingen welke tot het vermogen van het bedrijfslichaam behorende rechten of verplichtingen tot onderwerp hebben, worden ingesteld door Onze Minister onderscheidenlijk tegen de staat.
Artikel XLIX
1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij een bedrijfslichaam is betrokken, treedt op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet Onze Minister in de plaats van het bedrijfslichaam.
2. Onze Minister treedt voorts in de plaats van de bedrijfslichamen in wettelijke procedures en rechtsgedingen die aanvangen na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet.”
3.3.3
Vrebamel betoogt dat op grond van het hiervoor weergegeven art. XXXIX Wet opheffing bedrijfslichamen de minister van Economische Zaken, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van het vermogen van het voormalig Productschap Zuivel, exclusief bevoegd is om met betrekking tot de openstaande vorderingen van dat productschap te procederen en dus onder meer om een verzoek tot faillietverklaring in verband met een dergelijke vordering te doen.
3.4.1
Dit betoog is terecht door het hof verworpen. De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Een uitzondering hierop valt uitsluitend aan te nemen als daartoe een bijzondere grond bestaat, zoals in het geval dat de wet een orgaan van een rechtspersoon uitdrukkelijk procesbevoegdheid toekent. (Vgl. o.m. HR 25 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4696, NJ 1984/297) Voor het aannemen van procesbevoegdheid is ontoereikend dat de wet het orgaan vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent, al dan niet in rechte (vgl. o.m. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3653, NJ 2015/36).
3.4.2
Art. XXXIX lid 4 Wet opheffing bedrijfslichamen, op welke bepaling het betoog van Vrebamel in hoofdzaak berust, is, waar het spreekt over het instellen van rechtsvorderingen door de minister, aldus te verstaan dat het betrekking heeft op diens vertegenwoordigingsbevoegdheid. Hetzelfde geldt voor art. XLIX Wet opheffing bedrijfslichamen voor zover het burgerlijke gedingen betreft. Uit de wet en de wetsgeschiedenis (aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5) blijkt immers niet dat is beoogd om de minister procesbevoegdheid toe te kennen. Een bijzondere grond voor het aannemen van die bevoegdheid valt ook niet aan de wet of de wetsgeschiedenis te ontlenen.
3.5
Het middel is dus ongegrond.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 september 2016.