Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2202
2016-09-27
Strafrecht
15/02424
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2202 → ECLI:NL:PHR:2016:742 gevolgd
Inhoudsindicatie
Strafmotivering, art. 359.6 Sv. Strafmotivering bevat in strijd met art. 359.6 Sv geen opgave van de redenen die i.h.b. hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt ex art. 359.8 Sv tot nietigheid.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:2191 Hoge Raad 27-09-2016
Geciteerd door (26)
- ECLI:NL:PHR:2024:1043 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:424 Parket bij de Hoge Raad 16-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:404 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:404 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:304 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2021:316 Parket bij de Hoge Raad 06-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1167 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1168 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1169 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2020
- ECLI:NL:HR:2019:1979 Hoge Raad 17-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1351 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1349 Hoge Raad 17-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1221 Parket bij de Hoge Raad 10-09-2019
- ECLI:NL:HR:2019:842 Hoge Raad 04-06-2019
- ECLI:NL:HR:2019:619 Hoge Raad 16-04-2019
- ECLI:NL:HR:2019:620 Hoge Raad 16-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:587 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2019
- ECLI:NL:HR:2018:2434 Hoge Raad 18-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:649 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2018
- ECLI:NL:HR:2017:2495 Hoge Raad 26-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:969 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:549 Parket bij de Hoge Raad 06-06-2017
- ECLI:NL:HR:2017:666 Hoge Raad 11-04-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:258 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:258 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1250 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.175 tekens)
27 september 2016
Strafkamer
nr. S 15/02424
IF/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2015, nummer 23/003147-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de motivering daarvan en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
2.2.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" en "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van beide zaken veroordeeld voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling en diefstal in vereniging. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de betreffende bedrijven. De gepleegde feiten zijn hinderlijke, overlast en schade opleverende, feiten.
De verdachte is blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 mei 2015 eerder terzake van diefstal veroordeeld.
Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden."
2.3.
Deze overweging bevat, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191).
2.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
3Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2016.
Strafkamer
nr. S 15/02424
IF/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2015, nummer 23/003147-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de motivering daarvan en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
2.2.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" en "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van beide zaken veroordeeld voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte.
Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling en diefstal in vereniging. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de betreffende bedrijven. De gepleegde feiten zijn hinderlijke, overlast en schade opleverende, feiten.
De verdachte is blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 mei 2015 eerder terzake van diefstal veroordeeld.
Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierna te melden straf passend en geboden."
2.3.
Deze overweging bevat, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191).
2.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
3Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2016.