Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2187
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2187 → ECLI:NL:PHR:2016:792 gevolgd
Inhoudsindicatie
(Poging tot) zware mishandeling door een fles in het gezicht van het slachtoffer te duwen en de fles vervolgens tegen diens achterhoofd kapot te slaan. Grondslagverlating door partieel het primair tlgd. en partieel het subsidiair tlgd. bewezen te verklaren? De aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de tll. is niet onverenigbaar met de bewoordingen ervan en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Gelet hierop heeft het Hof de grondslag van de tll. niet verlaten door het primair tlgd. bewezen te verklaren, v.zv. daarin aan verdachte is tenlastegelegd dat hij A zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door een fles in diens gezicht te duwen, en het subsidiair tlgd. bewezen te verklaren, v.zv. daarin aan verdachte is tenlastegelegd dat hij ter uitvoering van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel een fles op het achterhoofd van A (kapot) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (52)
- ECLI:NL:PHR:2026:595 Parket bij de Hoge Raad 16-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:447 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:220 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1346 Parket bij de Hoge Raad 09-12-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4715 Rechtbank Noord-Nederland 18-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1113 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12746 Rechtbank Rotterdam 25-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:605 Parket bij de Hoge Raad 27-05-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2024:6456 Rechtbank Midden-Nederland 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15487 Rechtbank Den Haag 30-09-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8942 Rechtbank Noord-Holland 29-08-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:6104 Rechtbank Amsterdam 02-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:504 Parket bij de Hoge Raad 21-05-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:4175 Rechtbank Rotterdam 07-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4591 Rechtbank Den Haag 26-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1183 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:791 Parket bij de Hoge Raad 12-09-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:4080 Rechtbank Limburg 12-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:124 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:71 Parket bij de Hoge Raad 17-01-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2022:5246 Rechtbank Amsterdam 08-09-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:3327 Rechtbank Limburg 29-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:922 Parket bij de Hoge Raad 05-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:967 Parket bij de Hoge Raad 31-08-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3048 Rechtbank Noord-Nederland 16-07-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1571 Gerechtshof Amsterdam 01-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:336 Parket bij de Hoge Raad 06-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:2 Parket bij de Hoge Raad 12-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:2 Parket bij de Hoge Raad 12-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:2 Parket bij de Hoge Raad 12-01-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3435 Gerechtshof Amsterdam 22-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:725 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1250 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1195 Parket bij de Hoge Raad 24-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:294 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:2604 Rechtbank Den Haag 18-03-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:2603 Rechtbank Den Haag 18-03-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2018:5850 Rechtbank Amsterdam 15-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:725 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2018:1329 Rechtbank Amsterdam 09-03-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2018:1330 Rechtbank Amsterdam 09-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:61 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2017:9293 Rechtbank Amsterdam 14-12-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:9296 Rechtbank Amsterdam 14-12-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:9298 Rechtbank Amsterdam 14-12-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:8461 Rechtbank Amsterdam 20-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1555 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:10595 Rechtbank Amsterdam 18-07-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:812 Parket bij de Hoge Raad 11-04-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:268 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:268 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2017
- ECLI:NL:RBOVE:2016:4184 Rechtbank Overijssel 01-11-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (7.776 tekens)
Strafkamer
nr. S 14/05920
KD/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 november 2014, nummer 22/003556-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Arkesteijn, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door partieel het primair tenlastegelegde en partieel het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren.
2.2.1.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 1 januari 2011 te Zoetermeer aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (litteken in het gezicht, wond op achterhoofd) heeft toegebracht door deze opzettelijk met kracht een fles in zijn gezicht te duwen en/of (vervolgens) een fles op/tegen zijn achterhoofd (kapot) te slaan;
(...)
Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 januari 2011 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze opzettelijk met kracht een fles in zijn gezicht heeft geduwd en/of (vervolgens) een fles op/tegen zijn achterhoofd (kapot) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
2.2.2.
Het Hof heeft het tenlastegelegde als volgt bewezenverklaard:
"Ten aanzien van het litteken in het gezicht
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 1 januari 2011 te Zoetermeer aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (litteken in het gezicht) heeft toegebracht door deze opzettelijk met kracht een fles in zijn gezicht te duwen.
Ten aanzien van de wond op het achterhoofd
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 1 januari 2011 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze opzettelijk een fles op zijn achterhoofd (kapot) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
2.2.3.
Ten aanzien van deze bewezenverklaring heeft het Hof - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen:
"Zwaar lichamelijk letsel
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte (...) ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit dat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken omdat het letsel dat de aangever heeft opgelopen niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Het hof overweegt als volgt.
De aangever heeft door het handelen van de verdachte een snijwond in het gezicht opgelopen die gehecht moest worden. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 oktober 2014 heeft het hof door eigen waarneming vastgesteld dat het litteken in het gezicht van de aangever (tussen de beide ogen van aangever) goed zichtbaar was en enkele centimeters lang was. Er is derhalve sprake van niet volledig genezen letsel in het gezicht dat kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Voorts heeft de verdachte door het slaan met de fles tegen het achterhoofd van de aangever een wond veroorzaakt. Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat dit letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, met als gevolg dat het hof deze handeling als een poging tot zware mishandeling zal kwalificeren."
2.3.
In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat:
- het aan de verdachte primair tenlastegelegde aldus moet worden verstaan dat hem daarin wordt verweten dat hij [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, bestaande uit een litteken in het gezicht, heeft toegebracht door [slachtoffer] met kracht een fles in zijn gezicht te duwen alsmede - cumulatief - dat hem wordt verweten dat hij [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, bestaande uit een wond op het achterhoofd, door met kracht een fles op het achterhoofd van [slachtoffer] (kapot) te slaan;
- het aan de verdachte subsidiair tenlastegelegde aldus moet worden verstaan dat hem daarin wordt verweten dat hij ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met kracht een fles in het gezicht van [slachtoffer] heeft geduwd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, en - cumulatief - dat hij, eveneens ter uitvoering van voornoemd misdrijf, een fles op het achterhoofd van [slachtoffer] (kapot) heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- de steller van de tenlastelegging met de in de tenlastelegging voorkomende woorden "indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden" in de onderhavige zaak tot uitdrukking heeft gebracht dat het aan de verdachte subsidiair tenlastegelegde ter beraadslaging aan de rechter voorligt indien en voor zover het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen.
Deze - aan de feitenrechter voorbehouden - uitleg van de tenlastelegging is niet onverenigbaar met de bewoordingen ervan en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Gelet hierop heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten door het primair tenlastegelegde bewezen te verklaren voor zover daarin aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door - kort gezegd - een fles in diens gezicht te duwen, en het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren voor zover daarin aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij ter uitvoering van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel een fles op het achterhoofd van [slachtoffer] (kapot) heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.4.
Het middel faalt.
3Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2016.