Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2085
2016-09-16
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/05193
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2085 → ECLI:NL:PHR:2016:756 gevolgd
- sprongcassatie ECLI:NL:HR:2016:2085 → ECLI:NL:RBGEL:2015:6020 (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Inhoudsindicatie
Art. 220a en 220f Gemeentewet. Recreatiewoningen op recreatiepark dienen tot woning
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1994:ZC5609 Hoge Raad 02-03-1994
- ECLI:NL:HR:2013:1125 Hoge Raad 15-11-2013
Geciteerd door (34)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2675 Gerechtshof Den Haag 19-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6425 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:1557 Rechtbank Noord-Nederland 25-04-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:248 Gerechtshof Den Haag 31-01-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:109 Rechtbank Oost-Brabant 16-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2132 Gerechtshof Den Haag 11-10-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3430 Gerechtshof Amsterdam 06-09-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3430 Gerechtshof Amsterdam 06-09-2022
- ECLI:NL:HR:2022:770 Hoge Raad 27-05-2022
- ECLI:NL:HR:2022:770 Hoge Raad 27-05-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2021:6677 Rechtbank Oost-Brabant 16-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1079 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1079 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1079 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:9555 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-10-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2021:3662 Rechtbank Oost-Brabant 12-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:36 Gerechtshof Den Haag 06-01-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2020:10618 Rechtbank Noord-Holland 25-11-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:5218 Rechtbank Oost-Brabant 27-10-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2019:5591 Rechtbank Gelderland 03-12-2019
- ECLI:NL:RBOBR:2019:2178 Rechtbank Oost-Brabant 16-04-2019
- ECLI:NL:HR:2018:3 Hoge Raad 05-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:10143 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-11-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:10143 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-11-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2502 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-06-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-04-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-04-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1419 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-03-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:496 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-02-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:603 Rechtbank Gelderland 02-02-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:320 Gerechtshof Amsterdam 24-01-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:9543 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:9542 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:9329 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-11-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (6.211 tekens)
16 september 2016
nr. 15/05193
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 29 september 2015, nrs. AWB 14/8811 en AWB 14/8812, betreffende aanslagen in de onroerendezaakbelastingen betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 5 juli 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is eigenaar en exploitant van de onroerende zaak, een recreatiepark bestaande uit onder meer 70 recreatiechalets en 133 onroerende recreatiecaravans, hierna tezamen: de recreatiewoningen.
2.1.2.
De recreatiewoningen beschikken over eigen faciliteiten en voorzieningen zoals badkamer, kookgelegenheid en sanitair. Permanente bewoning van de recreatiewoningen is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan.
2.1.3.
Het recreatiepark is ingevolge artikel 16, letter e, van de Wet WOZ als één onroerende zaak aangemerkt. De vastgestelde WOZ-waarde van het recreatiepark is in beroep verminderd tot € 6.062.000.
2.1.4.
Voor de Rechtbank was primair in geschil of de recreatiewoningen tot woning dienen in de zin van de artikelen 220a en 220f van de Gemeentewet. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord is subsidiair in geschil welk percentage van de waarde van de onroerende zaak is toe te rekenen aan de delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat een onroerende zaak zowel voor de gebruikersheffing als voor de eigenarenheffing slechts (in hoofdzaak) tot woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. Permanente bewoning van de recreatiewoningen is op grond van de gemeentelijke voorschriften niet toegestaan. De recreatiewoningen zijn daarom niet bestemd voor permanente bewoning, zodat deze niet als woning in voormelde zin kunnen worden aangemerkt, aldus de Rechtbank. Tegen dit oordeel richt zich het middel.
2.3.1.
Recreatiewoningen als de onderhavige zijn blijkens de in onderdeel 2.1.2 vermelde faciliteiten en voorzieningen bestemd om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De recreatiewoningen zijn aldus op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Zij zijn daarom aan te merken als woning. De omstandigheid dat permanente bewoning ingevolge gemeentelijke voorschriften niet is toegestaan, brengt geen wijziging in de aard en de inrichting, en daarmee de bestemming van de woning (vgl. HR 2 maart 1994, nr. 29642, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609, BNB 1994/115).
2.3.2.
Het vorenstaande vindt ook bevestiging in de parlementaire toelichting bij de invoering van tariefdifferentiatie in artikel 220f van de Gemeentewet. Daarin is vermeld dat recreatiewoningen vallen onder het begrip woning in die bepaling (Kamerstukken II 1996/97, 25037, nr. 3, blz. 20, aangehaald in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). De mogelijkheid van permanente bewoning is daarbij niet als eis gesteld.
2.3.3.
Voor zover de Rechtbank haar oordeel mede heeft doen steunen op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013, nr. 11/05565, ECLI:NL:HR:2013:1125, BNB 2014/52, verliest zij daarbij uit het oog dat het in dat geval ging om een verpleeghuis, waarbij - als geheel beschouwd - de functie van verzorging en verpleging vooropstaat. Niettemin kunnen gedeelten van een dergelijk verpleeghuis voor mensen die daarin duurzaam verblijven in hoofdzaak dezelfde functie hebben als de vergelijkbare gedeelten van een woning, zo is in voormeld arrest overwogen. Dat brengt echter niet mee dat opstallen als de onderhavige recreatiewoningen, die als geheel naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn om te worden gebruikt als woning, die hoedanigheid verliezen als zij niet voor permanente bewoning worden gebruikt.
2.4.
Gelet op hetgeen onder 2.3 is overwogen slaagt het middel. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar het subsidiaire geschilpunt, waaraan de Rechtbank niet is toegekomen.
3Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank doch uitsluitend voor zover deze de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van het recreatiepark betreft,
wijst het geding terug naar de Rechtbank Gelderland ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1488 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.
nr. 15/05193
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 29 september 2015, nrs. AWB 14/8811 en AWB 14/8812, betreffende aanslagen in de onroerendezaakbelastingen betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 5 juli 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is eigenaar en exploitant van de onroerende zaak, een recreatiepark bestaande uit onder meer 70 recreatiechalets en 133 onroerende recreatiecaravans, hierna tezamen: de recreatiewoningen.
2.1.2.
De recreatiewoningen beschikken over eigen faciliteiten en voorzieningen zoals badkamer, kookgelegenheid en sanitair. Permanente bewoning van de recreatiewoningen is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan.
2.1.3.
Het recreatiepark is ingevolge artikel 16, letter e, van de Wet WOZ als één onroerende zaak aangemerkt. De vastgestelde WOZ-waarde van het recreatiepark is in beroep verminderd tot € 6.062.000.
2.1.4.
Voor de Rechtbank was primair in geschil of de recreatiewoningen tot woning dienen in de zin van de artikelen 220a en 220f van de Gemeentewet. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord is subsidiair in geschil welk percentage van de waarde van de onroerende zaak is toe te rekenen aan de delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat een onroerende zaak zowel voor de gebruikersheffing als voor de eigenarenheffing slechts (in hoofdzaak) tot woning dient als deze bestemd is voor permanente bewoning door de feitelijke gebruiker. Permanente bewoning van de recreatiewoningen is op grond van de gemeentelijke voorschriften niet toegestaan. De recreatiewoningen zijn daarom niet bestemd voor permanente bewoning, zodat deze niet als woning in voormelde zin kunnen worden aangemerkt, aldus de Rechtbank. Tegen dit oordeel richt zich het middel.
2.3.1.
Recreatiewoningen als de onderhavige zijn blijkens de in onderdeel 2.1.2 vermelde faciliteiten en voorzieningen bestemd om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De recreatiewoningen zijn aldus op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Zij zijn daarom aan te merken als woning. De omstandigheid dat permanente bewoning ingevolge gemeentelijke voorschriften niet is toegestaan, brengt geen wijziging in de aard en de inrichting, en daarmee de bestemming van de woning (vgl. HR 2 maart 1994, nr. 29642, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609, BNB 1994/115).
2.3.2.
Het vorenstaande vindt ook bevestiging in de parlementaire toelichting bij de invoering van tariefdifferentiatie in artikel 220f van de Gemeentewet. Daarin is vermeld dat recreatiewoningen vallen onder het begrip woning in die bepaling (Kamerstukken II 1996/97, 25037, nr. 3, blz. 20, aangehaald in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). De mogelijkheid van permanente bewoning is daarbij niet als eis gesteld.
2.3.3.
Voor zover de Rechtbank haar oordeel mede heeft doen steunen op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013, nr. 11/05565, ECLI:NL:HR:2013:1125, BNB 2014/52, verliest zij daarbij uit het oog dat het in dat geval ging om een verpleeghuis, waarbij - als geheel beschouwd - de functie van verzorging en verpleging vooropstaat. Niettemin kunnen gedeelten van een dergelijk verpleeghuis voor mensen die daarin duurzaam verblijven in hoofdzaak dezelfde functie hebben als de vergelijkbare gedeelten van een woning, zo is in voormeld arrest overwogen. Dat brengt echter niet mee dat opstallen als de onderhavige recreatiewoningen, die als geheel naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn om te worden gebruikt als woning, die hoedanigheid verliezen als zij niet voor permanente bewoning worden gebruikt.
2.4.
Gelet op hetgeen onder 2.3 is overwogen slaagt het middel. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar het subsidiaire geschilpunt, waaraan de Rechtbank niet is toegekomen.
3Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank doch uitsluitend voor zover deze de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van het recreatiepark betreft,
wijst het geding terug naar de Rechtbank Gelderland ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1488 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.