Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1994:ZC5609
1994-03-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
29.642
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Woonforensenbelasting; art. 275 Gemeentewet (oud); woonschip; uitleg begrip gemeubileerde woning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (21)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8511 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3228 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-04-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2025:8495 Rechtbank Amsterdam 11-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6033 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-09-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:3259 Rechtbank Amsterdam 21-05-2025
- ECLI:NL:GHARL:2023:3449 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2021:1079 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1079 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:36 Gerechtshof Den Haag 06-01-2021
- ECLI:NL:GHARL:2017:10143 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-11-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2502 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:355 Parket bij de Hoge Raad 13-04-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-04-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1419 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-03-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:496 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1255 Parket bij de Hoge Raad 08-12-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:9542 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:9543 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:9329 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-11-2016
- ECLI:NL:HR:2016:2085 Hoge Raad 16-09-2016
- ECLI:NL:HR:2016:2084 Hoge Raad 16-09-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (3.946 tekens)
Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e k a m e r
nr. 29.642
2 maart 1994
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te [Z] van 2 april 1993 betreffende de aan
[X]
te [Z]
voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente [Q].
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 ter zake van het zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of zijn gezin beschikbaar houden van een gemeubileerde woning, een aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente [Q] opgelegd ten bedrage van f 525,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q] is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Burgemeester en Wethouders hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar geen hoofdverblijf hield in de gemeente [Q], had in dat jaar een betrekkelijk eenvoudig woonschip in die gemeente tot zijn beschikking.
3.2. In cassatie is de vraag aan de orde of dat woonschip een gemeubileerde woning in de zin van artikel 1, van de Verordening woonforensenbelasting van de gemeente [Q] is.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat onder het begrip ‘’gemeubileerde woning'' in de zin van artikel 275 van de gemeentewet, op welke bepaling artikel 1 van de Verordening steunt, nimmer woonschepen vallen. Dat oordeel is onjuist. In zijn arrest van 19 december 1962, nr. 14.905, BNB 1963/95 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake is van een ‘’gemeubileerde woning'' in de zin van het toenmalige artikel 288 van de gemeentewet, voor welke bepaling artikel 275 in de plaats is getreden, indien die gemeubileerde woning op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor menselijke bewoning te dienen, zonder dat wordt acht geslagen op de mate waarin daarvan werkelijk gebruik wordt gemaakt. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 december 1970, Stb. 608, biedt onvoldoende steun aan de opvatting dat naar de bedoeling van de wetgever aan dat begrip thans een meer beperkte, en in het bijzonder woonschepen en caravans uitsluitende, betekenis zou toekomen. Het middel treft derhalve doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q] wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 2 maart 1994.
D e r d e k a m e r
nr. 29.642
2 maart 1994
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te [Z] van 2 april 1993 betreffende de aan
[X]
te [Z]
voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente [Q].
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 ter zake van het zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of zijn gezin beschikbaar houden van een gemeubileerde woning, een aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente [Q] opgelegd ten bedrage van f 525,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q] is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Burgemeester en Wethouders hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar geen hoofdverblijf hield in de gemeente [Q], had in dat jaar een betrekkelijk eenvoudig woonschip in die gemeente tot zijn beschikking.
3.2. In cassatie is de vraag aan de orde of dat woonschip een gemeubileerde woning in de zin van artikel 1, van de Verordening woonforensenbelasting van de gemeente [Q] is.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat onder het begrip ‘’gemeubileerde woning'' in de zin van artikel 275 van de gemeentewet, op welke bepaling artikel 1 van de Verordening steunt, nimmer woonschepen vallen. Dat oordeel is onjuist. In zijn arrest van 19 december 1962, nr. 14.905, BNB 1963/95 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake is van een ‘’gemeubileerde woning'' in de zin van het toenmalige artikel 288 van de gemeentewet, voor welke bepaling artikel 275 in de plaats is getreden, indien die gemeubileerde woning op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor menselijke bewoning te dienen, zonder dat wordt acht geslagen op de mate waarin daarvan werkelijk gebruik wordt gemaakt. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 december 1970, Stb. 608, biedt onvoldoende steun aan de opvatting dat naar de bedoeling van de wetgever aan dat begrip thans een meer beperkte, en in het bijzonder woonschepen en caravans uitsluitende, betekenis zou toekomen. Het middel treft derhalve doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q] wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 2 maart 1994.