Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8511
2026-09-04
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 26/2035
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Forensenbelasting, ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1994:ZC5609 Hoge Raad 02-03-1994
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.486 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/2035
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 februari 2026.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 een aanslag forensenbelasting opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] .
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
4. Op grond van artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet, kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. De gemeente Oisterwijk heeft aan deze bevoegdheid uitvoering gegeven met de Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2024 (de Verordening).
4.1.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de woning van belanghebbende kan worden gekwalificeerd als gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de Gemeentewet.
4.2.
Belanghebbende voert aan dat de aanslag onterecht aan hem is opgelegd omdat geen sprake is van een gemeubileerde woning. De woning beschikt slechts over nagelvaste en onlosmakelijke voorzieningen, zoals een keuken en badkamer. Van een volledige inrichting, waardoor een woning geschikt is voor direct gebruik, is geen sprake, aldus belanghebbende.
4.3.
De heffingsambtenaar stelt dat de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Uit eerder onderzoek is vast komen te staan dat de woning een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de Gemeentewet betreft. De woning is geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen, waarbij rekening is gehouden met de aanwezigheid van diverse elementaire voorzieningen. Nu sprake is van een gemeubileerde woning die voor meer dan 90 dagen ter beschikking van belanghebbende en zijn gezin stond, is voldaan aan het belastbaar feit en is de aanslag terecht aan belanghebbende opgelegd, aldus de heffingsambtenaar.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert de woning van belanghebbende als gemeubileerde woning. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een gemeubileerde woning indien de woning op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor normale menselijke bewoning te dienen, zonder dat acht wordt geslagen op de mate waarin daarvan werkelijk gebruik wordt gemaakt. De aanwezigheid van elementaire voorzieningen zoals toilet, was- en kookgelegenheid is hiervoor een belangrijke aanwijzing. Niet in geschil is dat deze aanwezig zijn. Uit de verhuuradvertentie van de woning, en de daarbij gevoegde foto’s, waar de heffingsambtenaar naar verwijst, volgt dat ook een bed aanwezig is. Er waren derhalve voldoende voorzieningen aanwezig om bewoning mogelijk te maken. Daarnaast merkt de rechtbank op dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven in 2024 in de woning te hebben gewoond.
4.5.
Gelet op voorgaande, heeft de heffingsambtenaar de aanslag forensenbelasting voor het jaar 2024 terecht aan belanghebbende opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 2 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/2035
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 februari 2026.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 een aanslag forensenbelasting opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] .
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
4. Op grond van artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet, kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. De gemeente Oisterwijk heeft aan deze bevoegdheid uitvoering gegeven met de Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2024 (de Verordening).
4.1.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de woning van belanghebbende kan worden gekwalificeerd als gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de Gemeentewet.
4.2.
Belanghebbende voert aan dat de aanslag onterecht aan hem is opgelegd omdat geen sprake is van een gemeubileerde woning. De woning beschikt slechts over nagelvaste en onlosmakelijke voorzieningen, zoals een keuken en badkamer. Van een volledige inrichting, waardoor een woning geschikt is voor direct gebruik, is geen sprake, aldus belanghebbende.
4.3.
De heffingsambtenaar stelt dat de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Uit eerder onderzoek is vast komen te staan dat de woning een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de Gemeentewet betreft. De woning is geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen, waarbij rekening is gehouden met de aanwezigheid van diverse elementaire voorzieningen. Nu sprake is van een gemeubileerde woning die voor meer dan 90 dagen ter beschikking van belanghebbende en zijn gezin stond, is voldaan aan het belastbaar feit en is de aanslag terecht aan belanghebbende opgelegd, aldus de heffingsambtenaar.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert de woning van belanghebbende als gemeubileerde woning. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een gemeubileerde woning indien de woning op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor normale menselijke bewoning te dienen, zonder dat acht wordt geslagen op de mate waarin daarvan werkelijk gebruik wordt gemaakt. De aanwezigheid van elementaire voorzieningen zoals toilet, was- en kookgelegenheid is hiervoor een belangrijke aanwijzing. Niet in geschil is dat deze aanwezig zijn. Uit de verhuuradvertentie van de woning, en de daarbij gevoegde foto’s, waar de heffingsambtenaar naar verwijst, volgt dat ook een bed aanwezig is. Er waren derhalve voldoende voorzieningen aanwezig om bewoning mogelijk te maken. Daarnaast merkt de rechtbank op dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift heeft aangegeven in 2024 in de woning te hebben gewoond.
4.5.
Gelet op voorgaande, heeft de heffingsambtenaar de aanslag forensenbelasting voor het jaar 2024 terecht aan belanghebbende opgelegd.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 2 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609.