Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:960
2015-04-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/05377
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:960 → ECLI:NL:GHSHE:2014:3753 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Art. 6:8, lid 1, Awb; aanvang beroepstermijn. Uitspraak op bezwaar niet op voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Beroepstermijn van zes weken vangt aan op dag dat gemachtigde een afschrift van de uitspraak onder ogen kreeg.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2005:AT3985 Hoge Raad 15-04-2005
Geciteerd door (74)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27926 Rechtbank Den Haag 08-09-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6184 Rechtbank Gelderland 31-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:716 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4899 Rechtbank Gelderland 10-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1450 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1450 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1450 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:OGEAC:2026:28 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 13-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:86 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2026
- ECLI:NL:HR:2025:1728 Hoge Raad 21-11-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:68 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 13-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:527 Gerechtshof Den Haag 05-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:277 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2024:6523 Rechtbank Oost-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8876 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8446 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-12-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2024:187 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 15-11-2024
- ECLI:NL:OGEAM:2024:31 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 26-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4740 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-07-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3293 Rechtbank Noord-Holland 06-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:10380 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-12-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1625 Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3796 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6151 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-09-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2222 Gerechtshof Den Haag 13-06-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:2326 Rechtbank Noord-Nederland 07-06-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:4006 Rechtbank Midden-Nederland 08-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2578 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2023
- ECLI:NL:OGEAM:2023:5 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 13-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3880 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-11-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2454 Centrale Raad van Beroep 08-11-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1337 Hoge Raad 30-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3955 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3904 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2022
- ECLI:NL:HR:2022:875 Hoge Raad 17-06-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:53 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 04-04-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:50 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 11-03-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2021:6811 Rechtbank Gelderland 20-12-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:5831 Rechtbank Gelderland 02-11-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4443 Rechtbank Noord-Nederland 19-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5218 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3066 Gerechtshof Amsterdam 29-09-2021
- ECLI:NL:OGEAA:2021:383 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 20-07-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:140 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 14-07-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:17 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 21-01-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2020:210 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 30-09-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3546 Gerechtshof Amsterdam 29-09-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2020:215 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 29-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1550 Gerechtshof Den Haag 18-08-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1550 Gerechtshof Den Haag 18-08-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1789 Gerechtshof Amsterdam 02-07-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2020:175 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 01-07-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:989 Gerechtshof Amsterdam 02-04-2020
- ECLI:NL:OGEABES:2020:13 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 27-03-2020
- ECLI:NL:OGEABES:2020:14 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 26-03-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:753 Rechtbank Noord-Nederland 20-02-2020
- ECLI:NL:OGEAC:2019:204 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 20-09-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:9736 Rechtbank Den Haag 12-09-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.134 tekens)
17 april 2015
nr. 14/05377
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 18 september 2014, nrs. 13/00399 tot en met 13/00414, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (nrs. AWB 12/1117 tot en met 12/1122 en 12/1124 tot en met 12/1133) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1995 tot en met 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over de jaren 1996 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging en boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbendes gemachtigde (hierna: de gemachtigde) heeft tegen alle onderhavige navorderingsaanslagen en beschikkingen tijdig bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 18 juni 2009 (hierna: de uitspraak op bezwaar) de bezwaren ongegrond verklaard.
2.1.2.
De uitspraak op bezwaar is niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
2.1.3.
Een afschrift van de uitspraak op bezwaar (hierna: het afschrift) was als bijlage gevoegd bij een conclusie van antwoord in een civiele procedure tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst/[P]. De conclusie van antwoord met het daarbij gevoegde afschrift is op 5 oktober 2011 per post ten kantore van de gemachtigde binnengekomen.
2.1.4.
De gemachtigde heeft op 13 februari 2012 feitelijk kennis genomen van het afschrift, toen hij kennisnam van de conclusie van antwoord ter gelegenheid van de voorbereiding van het kort geding waarop die conclusie betrekking had.
2.1.5.
Het tegen de uitspraak op bezwaar gerichte beroepschrift is op 9 maart 2012 door de Rechtbank ontvangen. De Rechtbank heeft belanghebbende niet‑ontvankelijk verklaard in haar beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de gemachtigde er niet op bedacht hoefde te zijn dat zich bij de bijlagen bij de conclusie van antwoord een afschrift van de uitspraak op bezwaar bevond.
2.2.2.
Volgens het Hof rest dan de vraag of de gemachtigde, nadat hij op 13 februari 2012 kennis nam van het afschrift van de uitspraak, voldoende voortvarend heeft gehandeld door op 9 maart 2012 beroep in te stellen. Daarvoor is volgens het Hof - onder verwijzing naar de wordingsgeschiedenis van artikel 6:11 Awb - beslissend of het beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dat is hier niet het geval aangezien het beroepschrift pas drie weken en vier dagen na 13 februari 2012 is ingediend, aldus nog steeds het Hof.
2.2.3.
Middel 1 komt op tegen het onder 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat de beroepstermijn van zes weken aanving op 13 februari 2012.
2.3.1.
Het middel slaagt. In een geval als het onderhavige, waarin de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de beroepstermijn van zes weken pas aan op de dag waarop (de gemachtigde van de) belanghebbende een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen (vgl. HR 15 april 2005, nr. 40279, ECLI:NL:HR:2005:AT3985, BNB 2005/251). In een zodanig geval geldt niet de bij toepassing van artikel 6:11 Awb te stellen eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld. Het Hof heeft dit miskend.
2.3.2.
Aangezien het beroepschrift is ingediend binnen zes weken na de datum waarop de gemachtigde een afschrift van de uitspraak onder ogen kreeg, is het beroep ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk verklaard.
2.3.3.
Aangezien middel 1 slaagt behoeft middel 2 geen behandeling.
2.4.
Gelet op hetgeen onder 2.3.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1960 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2015.
nr. 14/05377
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 18 september 2014, nrs. 13/00399 tot en met 13/00414, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (nrs. AWB 12/1117 tot en met 12/1122 en 12/1124 tot en met 12/1133) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1995 tot en met 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over de jaren 1996 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging en boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbendes gemachtigde (hierna: de gemachtigde) heeft tegen alle onderhavige navorderingsaanslagen en beschikkingen tijdig bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 18 juni 2009 (hierna: de uitspraak op bezwaar) de bezwaren ongegrond verklaard.
2.1.2.
De uitspraak op bezwaar is niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
2.1.3.
Een afschrift van de uitspraak op bezwaar (hierna: het afschrift) was als bijlage gevoegd bij een conclusie van antwoord in een civiele procedure tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst/[P]. De conclusie van antwoord met het daarbij gevoegde afschrift is op 5 oktober 2011 per post ten kantore van de gemachtigde binnengekomen.
2.1.4.
De gemachtigde heeft op 13 februari 2012 feitelijk kennis genomen van het afschrift, toen hij kennisnam van de conclusie van antwoord ter gelegenheid van de voorbereiding van het kort geding waarop die conclusie betrekking had.
2.1.5.
Het tegen de uitspraak op bezwaar gerichte beroepschrift is op 9 maart 2012 door de Rechtbank ontvangen. De Rechtbank heeft belanghebbende niet‑ontvankelijk verklaard in haar beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de gemachtigde er niet op bedacht hoefde te zijn dat zich bij de bijlagen bij de conclusie van antwoord een afschrift van de uitspraak op bezwaar bevond.
2.2.2.
Volgens het Hof rest dan de vraag of de gemachtigde, nadat hij op 13 februari 2012 kennis nam van het afschrift van de uitspraak, voldoende voortvarend heeft gehandeld door op 9 maart 2012 beroep in te stellen. Daarvoor is volgens het Hof - onder verwijzing naar de wordingsgeschiedenis van artikel 6:11 Awb - beslissend of het beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dat is hier niet het geval aangezien het beroepschrift pas drie weken en vier dagen na 13 februari 2012 is ingediend, aldus nog steeds het Hof.
2.2.3.
Middel 1 komt op tegen het onder 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat de beroepstermijn van zes weken aanving op 13 februari 2012.
2.3.1.
Het middel slaagt. In een geval als het onderhavige, waarin de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de beroepstermijn van zes weken pas aan op de dag waarop (de gemachtigde van de) belanghebbende een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen (vgl. HR 15 april 2005, nr. 40279, ECLI:NL:HR:2005:AT3985, BNB 2005/251). In een zodanig geval geldt niet de bij toepassing van artikel 6:11 Awb te stellen eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld. Het Hof heeft dit miskend.
2.3.2.
Aangezien het beroepschrift is ingediend binnen zes weken na de datum waarop de gemachtigde een afschrift van de uitspraak onder ogen kreeg, is het beroep ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk verklaard.
2.3.3.
Aangezien middel 1 slaagt behoeft middel 2 geen behandeling.
2.4.
Gelet op hetgeen onder 2.3.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1960 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2015.