Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:760
2015-03-27
Civiel recht
14/01022
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:760 → ECLI:NL:GHSHE:2013:5320 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:760 → ECLI:NL:PHR:2014:2733 gevolgd
- nadereConclusie ECLI:NL:HR:2015:760 → ECLI:NL:PHR:2015:360 gevolgd
Inhoudsindicatie
Procesrecht, bewijsrecht. Belang bij verklaring voor recht dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, zonder (daaraan gekoppelde) vordering tot schadevergoeding. HR 30 maart 1951, NJ 1952/29. Bewijskracht vonnis strafrechter waarin beroep op noodweer is aanvaard (art. 350 Sv); waardering bewijs (art. 152 lid 2 Rv); dwingende bewijskracht (art. 161 Rv)?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (123)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7690 Rechtbank Amsterdam 29-07-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6874 Rechtbank Amsterdam 08-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10693 Rechtbank Den Haag 22-04-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3959 Rechtbank Amsterdam 25-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:896 Gerechtshof Amsterdam 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:28 Parket bij de Hoge Raad 09-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1132 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:4749 Rechtbank Overijssel 16-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4774 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-07-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:4387 Rechtbank Overijssel 01-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1480 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-05-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1553 Rechtbank Midden-Nederland 02-04-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1553 Rechtbank Midden-Nederland 02-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:286 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3349 Rechtbank Den Haag 05-03-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:568 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-02-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:819 Rechtbank Limburg 29-01-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:113 Rechtbank Gelderland 13-01-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:66 Rechtbank Oost-Brabant 08-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:7471 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1130 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:855 Parket bij de Hoge Raad 30-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:24039 Rechtbank Den Haag 17-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4079 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-06-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:2601 Rechtbank Midden-Nederland 01-05-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2095 Rechtbank Overijssel 17-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2320 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2024
- ECLI:NL:HR:2024:426 Hoge Raad 15-03-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:419 Gerechtshof Amsterdam 05-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1112 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:534 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3460 Gerechtshof Amsterdam 19-12-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3481 Gerechtshof Amsterdam 28-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3983 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1070 Parket bij de Hoge Raad 24-11-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6305 Rechtbank Gelderland 15-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6292 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-07-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:3475 Rechtbank Rotterdam 26-04-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:1459 Rechtbank Overijssel 25-04-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:3231 Rechtbank Rotterdam 14-04-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:1592 Rechtbank Amsterdam 21-03-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:1407 Rechtbank Amsterdam 15-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:605 Gerechtshof Den Haag 14-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:142 Gerechtshof Den Haag 31-01-2023
- ECLI:NL:RBROT:2022:10370 Rechtbank Rotterdam 07-12-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:10486 Rechtbank Rotterdam 30-11-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:6440 Rechtbank Amsterdam 09-11-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:6141 Rechtbank Amsterdam 26-10-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:7830 Rechtbank Noord-Holland 31-08-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:6007 Rechtbank Rotterdam 20-07-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:5902 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-07-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2507 Rechtbank Gelderland 18-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:3373 Rechtbank Gelderland 04-05-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:386 Gerechtshof Amsterdam 15-02-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2021:6617 Rechtbank Noord-Holland 21-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:713 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:5004 Rechtbank Rotterdam 02-06-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1414 Gerechtshof Amsterdam 18-05-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:4116 Rechtbank Noord-Holland 04-05-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:3262 Rechtbank Noord-Holland 21-04-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.041 tekens)
27 maart 2015
Eerste Kamer
14/01022
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
De vennootschap naar buitenlands recht AIG EUROPE LIMITED, als rechtsopvolgster van de vennootschap naar buitenlands recht Chartis Europe SA, gevestigd te London, Engeland,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. K. Aantjes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als AIG en [verweerder].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 243111/HA ZA 12-156 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 juni 2012 en 24 oktober 2012;
b. het arrest in de zaak HD 200.123.657/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 november 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft AIG beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt ertoe dat onderdeel 1 van het principale beroep faalt. De nadere conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het principale en het incidentele beroep.
3Uitgangspunten in cassatie
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 25 juli 2006 is [verweerder] aangereden door een auto die werd bestuurd door [betrokkene 1] (hierna ook: de aanrijding). [verweerder] heeft daarbij letsel opgelopen.
(ii) De aanrijding volgde op een confrontatie tussen [verweerder] en [betrokkene 1]. Beiden zijn strafrechtelijk vervolgd.
(iii) [verweerder] is door de politierechter veroordeeld wegens bedreiging van [betrokkene 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht. Mede wegens zijn aanzienlijke letsel is aan [verweerder] geen straf of maatregel opgelegd.
(iv) In de strafzaak tegen [betrokkene 1] is in hoger beroep poging tot doodslag bewezen verklaard en is tevens het beroep van [betrokkene 1] op noodweer terzake aanvaard. Hij is in zoverre ontslagen van rechtsvervolging. Wegens bedreiging met zware mishandeling van [verweerder] is [betrokkene 1] veroordeeld tot een werkstraf.
(v) AIG was ten tijde van de aanrijding de WAM-verzekeraar van de auto van [betrokkene 1].
3.2
In dit geding vordert [verweerder] een verklaring voor recht dat AIG aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt als gevolg van de aanrijding. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat AIG voor 75% aansprakelijk is voor de schade die [verweerder] lijdt als gevolg van de aanrijding.
Het hof heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen. [betrokkene 1] is op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk voor de schade die [verweerder] heeft geleden doordat [betrokkene 1] met zijn auto tegen [verweerder] aan, en over hem heen is gereden (rov. 4.3.4). Het oordeel van het gerechtshof Amsterdam over het beroep van [betrokkene 1] op noodweer in de strafzaak, vormt geen onderdeel van de bewezenverklaring, zodat op dat punt geen sprake is van dwingend bewijs in de zin van art. 161 Rv; [betrokkene 1] kan zich in de onderhavige civiele zaak niet met succes op overmacht of noodweer beroepen (rov. 4.3.3 en 4.3.6).
4Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1.1
Volgens onderdeel 1 heeft het hof miskend dat [verweerder] onvoldoende belang heeft bij zijn vordering. [verweerder] vordert slechts een verklaring voor recht. Niet blijkt van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hij daarmee volstaat. Het hof had [verweerder] daarom ambtshalve niet-ontvankelijk in zijn vordering moeten verklaren, aldus de klacht.
4.1.2
Indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, dient de rechter ervan uit te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat geldt ook als niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. Voor zover in HR 30 maart 1951, NJ 1952/29 anders is geoordeeld, komt de Hoge Raad daarvan terug.
4.1.3
In het oordeel van het hof ligt besloten dat [verweerder] voldoende belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.2 is vermeld, heeft het hof hiermee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat niet in geschil was dat [verweerder] bij de aanrijding letsel had opgelopen. De klacht faalt.
4.2.1
Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat, als de strafrechter een beroep op noodweer heeft aanvaard en daarop in de civiele aansprakelijkheidszaak een beroep wordt gedaan, de civiele rechter het rechtsoordeel van de strafrechter in beginsel dient te volgen.
4.2.2
De waardering van het bewijs is aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 2 Rv). Art. 161 Rv bevat een dergelijke bepaling: een op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend bewijs op van dat feit. Het oordeel van de strafrechter dat een beroep op noodweer slaagt, wordt echter niet door art. 161 Rv bestreken. Dat oordeel maakt immers geen deel uit van de bewezenverklaring. Het heeft betrekking op de strafbaarheid van de verdachte (art. 350 Sv). De aanvaarding van een beroep op noodweer door de strafrechter laat de vrijheid in de bewijswaardering van de burgerlijke rechter dan ook onverlet. Hierop stuit de klacht af.
4.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt AIG in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 387,07 verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van AIG begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek,en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 maart 2015.
Eerste Kamer
14/01022
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
De vennootschap naar buitenlands recht AIG EUROPE LIMITED, als rechtsopvolgster van de vennootschap naar buitenlands recht Chartis Europe SA, gevestigd te London, Engeland,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. K. Aantjes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als AIG en [verweerder].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 243111/HA ZA 12-156 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 juni 2012 en 24 oktober 2012;
b. het arrest in de zaak HD 200.123.657/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 november 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft AIG beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt ertoe dat onderdeel 1 van het principale beroep faalt. De nadere conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het principale en het incidentele beroep.
3Uitgangspunten in cassatie
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 25 juli 2006 is [verweerder] aangereden door een auto die werd bestuurd door [betrokkene 1] (hierna ook: de aanrijding). [verweerder] heeft daarbij letsel opgelopen.
(ii) De aanrijding volgde op een confrontatie tussen [verweerder] en [betrokkene 1]. Beiden zijn strafrechtelijk vervolgd.
(iii) [verweerder] is door de politierechter veroordeeld wegens bedreiging van [betrokkene 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht. Mede wegens zijn aanzienlijke letsel is aan [verweerder] geen straf of maatregel opgelegd.
(iv) In de strafzaak tegen [betrokkene 1] is in hoger beroep poging tot doodslag bewezen verklaard en is tevens het beroep van [betrokkene 1] op noodweer terzake aanvaard. Hij is in zoverre ontslagen van rechtsvervolging. Wegens bedreiging met zware mishandeling van [verweerder] is [betrokkene 1] veroordeeld tot een werkstraf.
(v) AIG was ten tijde van de aanrijding de WAM-verzekeraar van de auto van [betrokkene 1].
3.2
In dit geding vordert [verweerder] een verklaring voor recht dat AIG aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt als gevolg van de aanrijding. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat AIG voor 75% aansprakelijk is voor de schade die [verweerder] lijdt als gevolg van de aanrijding.
Het hof heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen. [betrokkene 1] is op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk voor de schade die [verweerder] heeft geleden doordat [betrokkene 1] met zijn auto tegen [verweerder] aan, en over hem heen is gereden (rov. 4.3.4). Het oordeel van het gerechtshof Amsterdam over het beroep van [betrokkene 1] op noodweer in de strafzaak, vormt geen onderdeel van de bewezenverklaring, zodat op dat punt geen sprake is van dwingend bewijs in de zin van art. 161 Rv; [betrokkene 1] kan zich in de onderhavige civiele zaak niet met succes op overmacht of noodweer beroepen (rov. 4.3.3 en 4.3.6).
4Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1.1
Volgens onderdeel 1 heeft het hof miskend dat [verweerder] onvoldoende belang heeft bij zijn vordering. [verweerder] vordert slechts een verklaring voor recht. Niet blijkt van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hij daarmee volstaat. Het hof had [verweerder] daarom ambtshalve niet-ontvankelijk in zijn vordering moeten verklaren, aldus de klacht.
4.1.2
Indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, dient de rechter ervan uit te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat geldt ook als niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. Voor zover in HR 30 maart 1951, NJ 1952/29 anders is geoordeeld, komt de Hoge Raad daarvan terug.
4.1.3
In het oordeel van het hof ligt besloten dat [verweerder] voldoende belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.2 is vermeld, heeft het hof hiermee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat niet in geschil was dat [verweerder] bij de aanrijding letsel had opgelopen. De klacht faalt.
4.2.1
Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat, als de strafrechter een beroep op noodweer heeft aanvaard en daarop in de civiele aansprakelijkheidszaak een beroep wordt gedaan, de civiele rechter het rechtsoordeel van de strafrechter in beginsel dient te volgen.
4.2.2
De waardering van het bewijs is aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 2 Rv). Art. 161 Rv bevat een dergelijke bepaling: een op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend bewijs op van dat feit. Het oordeel van de strafrechter dat een beroep op noodweer slaagt, wordt echter niet door art. 161 Rv bestreken. Dat oordeel maakt immers geen deel uit van de bewezenverklaring. Het heeft betrekking op de strafbaarheid van de verdachte (art. 350 Sv). De aanvaarding van een beroep op noodweer door de strafrechter laat de vrijheid in de bewijswaardering van de burgerlijke rechter dan ook onverlet. Hierop stuit de klacht af.
4.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt AIG in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 387,07 verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van AIG begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek,en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 maart 2015.