Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:688
2015-03-20
Civiel recht; Personen- en familierecht
14/04367
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:688 → ECLI:NL:GHDHA:2014:2263
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:688 → ECLI:NL:PHR:2015:18 contrair
Inhoudsindicatie
Procesrecht, personen- en familierecht. Incident tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van veroordeling tot betalen gebruiksvergoeding voormalige echtelijke woning. Bij beoordeling in aanmerking te nemen regels.
Citeert (7)
- ECLI:NL:HR:1998:ZC2602 Hoge Raad 27-02-1998
- ECLI:NL:HR:2000:AA5169 Hoge Raad 17-03-2000
- ECLI:NL:HR:1996:ZC2215 Hoge Raad 29-11-1996
- ECLI:NL:HR:2008:BC5012 Hoge Raad 30-05-2008
- ECLI:NL:HR:1991:ZC0228 Hoge Raad 26-04-1991
- ECLI:NL:HR:2008:BC5012 Hoge Raad 30-05-2008
- ECLI:NL:HR:2008:BC5012 Hoge Raad 30-05-2008
Geciteerd door (349)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5779 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-09-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8659 Rechtbank Amsterdam 19-08-2026
- ECLI:NL:OGHACMB:2026:170 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 22-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:3985 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-06-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:5679 Rechtbank Amsterdam 27-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3282 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7807 Rechtbank Den Haag 08-04-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:2492 Rechtbank Limburg 01-04-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:1833 Rechtbank Rotterdam 10-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:303 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-01-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2025:12687 Rechtbank Limburg 17-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8046 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6871 Rechtbank Overijssel 14-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6945 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6384 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-10-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:11629 Rechtbank Rotterdam 01-10-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:233 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 16-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5890 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4806 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2065 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3902 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5139 Rechtbank Gelderland 13-06-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:3982 Rechtbank Amsterdam 11-06-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6432 Rechtbank Noord-Holland 11-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:2715 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:1462 Rechtbank Limburg 19-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:855 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-02-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:695 Rechtbank Amsterdam 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:6933 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5998 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-09-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:9176 Rechtbank Rotterdam 11-09-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3615 Rechtbank Noord-Nederland 04-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5641 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5625 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5400 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-08-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:5164 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5803 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-07-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:4347 Rechtbank Amsterdam 17-07-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3993 Rechtbank Midden-Nederland 19-06-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1509 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2892 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6019 Rechtbank Den Haag 23-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2585 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:1847 Rechtbank Midden-Nederland 27-03-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:1845 Rechtbank Midden-Nederland 27-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2151 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1269 Rechtbank Overijssel 13-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:1554 Rechtbank Rotterdam 16-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:547 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:578 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:99 Rechtbank Amsterdam 10-01-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7453 Rechtbank Midden-Nederland 20-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:10745 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6484 Rechtbank Gelderland 29-11-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7454 Rechtbank Midden-Nederland 29-11-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:4679 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:3666 Rechtbank Overijssel 12-09-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5860 Rechtbank Midden-Nederland 23-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6576 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5605 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-07-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (8.564 tekens)
20 maart 2015
Eerste Kamer
14/04367
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incident,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incident,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak C/09/417860 en C/09/427439 van de rechtbank van 21 mei 2013 en verbeterd op 9 augustus 2013;
b. de beschikking in de zaak 200.132.074/01, 200.132.165/01 en 200.132.168/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Bij haar verweerschrift heeft de vrouw een incidenteel verzoek gedaan tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van het hof wat betreft de daarin aan haar toegekende gebruiksvergoeding. De man heeft verzocht het incidenteel verzoek af te wijzen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot afwijzing van het incidenteel verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 30 januari 2015 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het incidenteel verzoek
3.1
Deze procedure betreft, voor zover in cassatie van belang, de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen. In eerste aanleg heeft de rechtbank bepaald dat de man jegens de vrouw bevoegd is om de bewoning van de voormalige echtelijke woning en het gebruik van de inboedel daarvan voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het hof heeft de man alsnog veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan de vrouw voor het gebruik van de echtelijke woning. De vergoeding bedraagt € 2.000,-- per maand, met ingang van 22 mei 2013 (de datum waarop het huwelijk van partijen is ontbonden) tot de dag dat het gebruik van de woning door de man eindigt. Het hof heeft zijn beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.2
De vrouw verzoekt in het incident de veroordeling tot betaling van de gebruiksvergoeding alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De man voert verweer. Hij stelt dat hij niet in staat is de opgelegde vergoeding te voldoen. Voorts stelt hij, samengevat weergegeven, dat de vrouw onvoldoende belang heeft bij de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad, gelet op haar goede financiële positie en op het feit dat hij voornemens is de echtelijke woning op 8 december 2014 te verlaten.
3.3.1
Indien in een dagvaardings- of een verzoekschriftprocedure, in hoger beroep dan wel in cassatie, een vordering respectievelijk een verzoek wordt gedaan om een beslissing die in een vorige instantie is gegeven, alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, heeft het volgende te gelden.
( i) De eiser of verzoeker in het incident zal belang moeten hebben bij de door hem gevorderde of verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is dat belang in beginsel gegeven. (Vgl. HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602, NJ 1998/512 en HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169, NJ 2000/353).
(ii) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist (onder meer HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2215, NJ 1997/684, en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311, rov. 3.2.3).
(iii) Bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (vgl. onder meer HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0228, NJ 1991/456, rov. 3.3 slot, en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311).
(iv) Indien in vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser of verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311, rov. 3.2.4).
( v) Indien een dergelijke beslissing ontbreekt - hetzij doordat in vorige instantie geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gevorderd of verzocht, hetzij doordat de rechter in vorige instantie geen gemotiveerde beslissing op die vordering of dat verzoek heeft gegeven (zoals in dit geval) - geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i)-(iii) vermelde.
3.3.2
Bij de hiervoor in 3.3.1 onder (ii) vermelde belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de rechter in vorige instantie de vordering of het verzoek toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 30).
3.4.1
Gelet op het hiervoor in 3.3.1 onder (i) overwogene, gaat het verweer van de man dat de vrouw onvoldoende belang heeft bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, niet op. Nu het hier gaat om de veroordeling tot (periodieke) betaling van een geldsom, is het belang van de vrouw in beginsel gegeven. Hetgeen de man aanvoert, maakt niet dat dit belang zou ontbreken of onvoldoende is.
3.4.2
Ook het beroep van de man op betalingsonmacht leidt niet tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de man in betalingsonmacht verkeert. Zij heeft terecht erop gewezen dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie en mogelijkheden. Naar aanleiding hiervan heeft de man dat inzicht niet alsnog verschaft. Hij heeft zich beperkt tot het overleggen van bewijs dat hij geld van een tante leent. Hierdoor is niet aannemelijk geworden dat betaling voor de man zodanig bezwaarlijk is dat zijn belang bij het achterwege blijven van uitvoerbaarheid bij voorraad zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij toewijzing van het verzoek.
3.4.3
Het verzoek van de vrouw wordt derhalve toegewezen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart uitvoerbaar bij voorraad de door het hof uitgesproken veroordeling van de man om de vrouw, met ingang van 22 mei 2013 tot en met de dag dat het gebruik van de woning door de man eindigt en de vrouw in staat is gesteld de woning te gebruiken, een gebruiksvergoeding te betalen van € 2.000,-- per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de eerste dag van de maand waarin de man deze vergoeding is verschuldigd en niet heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 20 maart 2015.
Eerste Kamer
14/04367
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incident,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incident,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak C/09/417860 en C/09/427439 van de rechtbank van 21 mei 2013 en verbeterd op 9 augustus 2013;
b. de beschikking in de zaak 200.132.074/01, 200.132.165/01 en 200.132.168/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Bij haar verweerschrift heeft de vrouw een incidenteel verzoek gedaan tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van het hof wat betreft de daarin aan haar toegekende gebruiksvergoeding. De man heeft verzocht het incidenteel verzoek af te wijzen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot afwijzing van het incidenteel verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 30 januari 2015 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het incidenteel verzoek
3.1
Deze procedure betreft, voor zover in cassatie van belang, de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen. In eerste aanleg heeft de rechtbank bepaald dat de man jegens de vrouw bevoegd is om de bewoning van de voormalige echtelijke woning en het gebruik van de inboedel daarvan voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het hof heeft de man alsnog veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan de vrouw voor het gebruik van de echtelijke woning. De vergoeding bedraagt € 2.000,-- per maand, met ingang van 22 mei 2013 (de datum waarop het huwelijk van partijen is ontbonden) tot de dag dat het gebruik van de woning door de man eindigt. Het hof heeft zijn beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.2
De vrouw verzoekt in het incident de veroordeling tot betaling van de gebruiksvergoeding alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De man voert verweer. Hij stelt dat hij niet in staat is de opgelegde vergoeding te voldoen. Voorts stelt hij, samengevat weergegeven, dat de vrouw onvoldoende belang heeft bij de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad, gelet op haar goede financiële positie en op het feit dat hij voornemens is de echtelijke woning op 8 december 2014 te verlaten.
3.3.1
Indien in een dagvaardings- of een verzoekschriftprocedure, in hoger beroep dan wel in cassatie, een vordering respectievelijk een verzoek wordt gedaan om een beslissing die in een vorige instantie is gegeven, alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, heeft het volgende te gelden.
( i) De eiser of verzoeker in het incident zal belang moeten hebben bij de door hem gevorderde of verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is dat belang in beginsel gegeven. (Vgl. HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602, NJ 1998/512 en HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169, NJ 2000/353).
(ii) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist (onder meer HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2215, NJ 1997/684, en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311, rov. 3.2.3).
(iii) Bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (vgl. onder meer HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0228, NJ 1991/456, rov. 3.3 slot, en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311).
(iv) Indien in vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser of verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012, NJ 2008/311, rov. 3.2.4).
( v) Indien een dergelijke beslissing ontbreekt - hetzij doordat in vorige instantie geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gevorderd of verzocht, hetzij doordat de rechter in vorige instantie geen gemotiveerde beslissing op die vordering of dat verzoek heeft gegeven (zoals in dit geval) - geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i)-(iii) vermelde.
3.3.2
Bij de hiervoor in 3.3.1 onder (ii) vermelde belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de rechter in vorige instantie de vordering of het verzoek toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 30).
3.4.1
Gelet op het hiervoor in 3.3.1 onder (i) overwogene, gaat het verweer van de man dat de vrouw onvoldoende belang heeft bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, niet op. Nu het hier gaat om de veroordeling tot (periodieke) betaling van een geldsom, is het belang van de vrouw in beginsel gegeven. Hetgeen de man aanvoert, maakt niet dat dit belang zou ontbreken of onvoldoende is.
3.4.2
Ook het beroep van de man op betalingsonmacht leidt niet tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de man in betalingsonmacht verkeert. Zij heeft terecht erop gewezen dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie en mogelijkheden. Naar aanleiding hiervan heeft de man dat inzicht niet alsnog verschaft. Hij heeft zich beperkt tot het overleggen van bewijs dat hij geld van een tante leent. Hierdoor is niet aannemelijk geworden dat betaling voor de man zodanig bezwaarlijk is dat zijn belang bij het achterwege blijven van uitvoerbaarheid bij voorraad zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij toewijzing van het verzoek.
3.4.3
Het verzoek van de vrouw wordt derhalve toegewezen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart uitvoerbaar bij voorraad de door het hof uitgesproken veroordeling van de man om de vrouw, met ingang van 22 mei 2013 tot en met de dag dat het gebruik van de woning door de man eindigt en de vrouw in staat is gesteld de woning te gebruiken, een gebruiksvergoeding te betalen van € 2.000,-- per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de eerste dag van de maand waarin de man deze vergoeding is verschuldigd en niet heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 20 maart 2015.