Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:556
2015-03-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/02766
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:556 → ECLI:NL:PHR:2014:2094 gevolgd
Inhoudsindicatie
Artikel 3, lid 3, Wet werk en bijstand; gezamenlijke huishouding. Afwisselend verblijf in twee woningen. Hoofdverblijf in dezelfde woning?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (71)
- ECLI:NL:PHR:2024:57 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5075 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-07-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:110 Centrale Raad van Beroep 23-01-2023
- ECLI:NL:CRVB:2022:1002 Centrale Raad van Beroep 12-05-2022
- ECLI:NL:RBROT:2021:12177 Rechtbank Rotterdam 13-12-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1932 Centrale Raad van Beroep 03-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:5838 Rechtbank Den Haag 03-05-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1689 Rechtbank Midden-Nederland 23-04-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1454 Rechtbank Midden-Nederland 13-04-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1203 Rechtbank Midden-Nederland 26-03-2021
- ECLI:NL:RBLIM:2019:11421 Rechtbank Limburg 19-12-2019
- ECLI:NL:RBMNE:2019:6652 Rechtbank Midden-Nederland 19-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:4091 Centrale Raad van Beroep 17-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2018:1341 Centrale Raad van Beroep 01-05-2018
- ECLI:NL:HR:2018:205 Hoge Raad 16-02-2018
- ECLI:NL:RBMNE:2017:6657 Rechtbank Midden-Nederland 28-12-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:3122 Centrale Raad van Beroep 12-09-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:2589 Centrale Raad van Beroep 25-07-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:2346 Centrale Raad van Beroep 27-06-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1596 Centrale Raad van Beroep 25-04-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1705 Centrale Raad van Beroep 18-04-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1459 Centrale Raad van Beroep 18-04-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1640 Centrale Raad van Beroep 18-04-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1177 Centrale Raad van Beroep 28-03-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1175 Centrale Raad van Beroep 28-03-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:1521 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-03-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:697 Centrale Raad van Beroep 28-02-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:396 Centrale Raad van Beroep 24-01-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:116 Centrale Raad van Beroep 03-01-2017
- ECLI:NL:CRVB:2016:5063 Centrale Raad van Beroep 27-12-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:4531 Centrale Raad van Beroep 22-11-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:4250 Centrale Raad van Beroep 08-11-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:4162 Centrale Raad van Beroep 01-11-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3712 Centrale Raad van Beroep 04-10-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3585 Centrale Raad van Beroep 27-09-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3390 Centrale Raad van Beroep 13-09-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3398 Centrale Raad van Beroep 13-09-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:3065 Centrale Raad van Beroep 16-08-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2981 Centrale Raad van Beroep 09-08-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2969 Centrale Raad van Beroep 02-08-2016
- ECLI:NL:RBGEL:2016:4150 Rechtbank Gelderland 28-07-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:8173 Rechtbank Den Haag 18-07-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2533 Centrale Raad van Beroep 05-07-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2442 Centrale Raad van Beroep 21-06-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2381 Centrale Raad van Beroep 14-06-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2058 Centrale Raad van Beroep 31-05-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:2041 Centrale Raad van Beroep 24-05-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1863 Centrale Raad van Beroep 17-05-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1467 Centrale Raad van Beroep 19-04-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1174 Centrale Raad van Beroep 29-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1004 Centrale Raad van Beroep 22-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:1062 Centrale Raad van Beroep 22-03-2016
- ECLI:NL:RBGEL:2016:1493 Rechtbank Gelderland 15-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:995 Centrale Raad van Beroep 15-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:952 Centrale Raad van Beroep 15-03-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:2370 Rechtbank Den Haag 02-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:677 Centrale Raad van Beroep 01-03-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:389 Centrale Raad van Beroep 26-01-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:301 Centrale Raad van Beroep 19-01-2016
- ECLI:NL:CRVB:2015:4840 Centrale Raad van Beroep 22-12-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (7.870 tekens)
13 maart 2015
nr. 14/02766
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2014, nr. 12/6777 WWB, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zwolle‑Lelystad (nr. Awb 12/902) betreffende een besluit ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: de WWB). De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 5 november 2014 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad.
Zowel belanghebbende als het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende ontving vanaf 1 februari 1986 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het College het recht op bijstand van belanghebbende per 1 september 2009 ingetrokken, en de gemaakte kosten van bijstand van belanghebbende teruggevorderd over de periode van 1 september 2009 tot en met 31 augustus 2011. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat belanghebbende sinds 1 september 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [C] (hierna: [C]).
2.1.2.
Belanghebbende en [C] hadden gedurende de periode waarop dit geding betrekking heeft ieder een woning. Belanghebbende verbleef in die periode telkens op maandag, dinsdag en donderdag bij [C] in haar woning en hij bleef daar op deze dagen ook slapen. [C] verbleef in die periode telkens in het weekend in de woning van belanghebbende.
2.2.1.
Het geschil voor de Centrale Raad betrof de vraag of belanghebbende en [C] in de periode van 1 september 2009 tot en met 18 oktober 2011 een gezamenlijke huishouding hadden in de zin van artikel 3, lid 3, van de WWB. De Centrale Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord.
2.2.2.
Daartoe heeft de Centrale Raad in de eerste plaats geoordeeld dat belanghebbende en [C] in de periode van 1 september 2009 tot en met 18 oktober 2011 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Daartoe heeft de Centrale Raad onder meer geoordeeld dat ingeval afzonderlijke adressen worden aangehouden, voor het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning aannemelijk zal moeten zijn dat een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. In het onderhavige geval hadden de betrokkenen naar het oordeel van de Centrale Raad hun hoofdverblijf in dezelfde woning omdat belanghebbende gedurende drie dagen en nachten bij [C] in haar woning verbleef en [C] gedurende het weekend in de woning van belanghebbende.
2.2.3.
Verder heeft de Centrale Raad geoordeeld dat bij belanghebbende en [C] sprake is geweest van wederzijdse zorg.
2.3.1.
Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 vermelde oordeel van de Centrale Raad heeft het volgende te gelden.
2.3.2.
Een van de voorwaarden om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding is volgens artikel 3, lid 3, van de WWB dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Indien – zoals in het onderhavige geval – sprake is van twee personen aan wie ieder een woning ter beschikking staat, en die ieder afwisselend in deze beide woningen verblijven, zal ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk moeten worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Deze beoordeling dient plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de betrokkene bevindt. De mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokken personen dit zwaartepunt zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Die mogelijkheid bestaat ook indien deze personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen, zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen. Opmerking verdient nog dat voor de toepassing van artikel 3, lid 3, van de WWB niet bepalend is of de verhouding tussen de betrokken personen naar spraakgebruik kan worden aangeduid als een LAT-relatie.
2.3.3.
De Centrale Raad heeft geoordeeld dat de betrokkenen hoofdverblijf hadden in dezelfde woning omdat belanghebbende gedurende drie dagen en nachten bij [C] in haar woning verbleef en [C] gedurende het weekend in de woning van belanghebbende. Kennelijk heeft de Centrale Raad daarbij maatgevend geacht dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. Aldus heeft de Centrale Raad hetgeen hiervoor onder 2.3.2 is overwogen miskend en daarmee artikel 3, lid 3, van de WWB geschonden. In zoverre zijn de klachten gegrond.
2.4.
De klachten falen voor zover zij zich richten tegen het hiervoor in 2.2.3 vermelde oordeel van de Centrale Raad dat sprake is van wederzijdse zorg. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 is overwogen kan de uitspraak van de Centrale Raad niet in stand blijven. Terugwijzing moet volgen om met inachtneming van onderdeel 2.3.2 van dit arrest vast te stellen of belanghebbende en [C] in de periode van 1 september 2009 tot en met 18 oktober 2011 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
3Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door de Centrale Raad zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor de Centrale Raad en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep,
wijst het geding terug naar de Centrale Raad van Beroep ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1960 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015.
nr. 14/02766
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2014, nr. 12/6777 WWB, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zwolle‑Lelystad (nr. Awb 12/902) betreffende een besluit ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: de WWB). De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 5 november 2014 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad.
Zowel belanghebbende als het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende ontving vanaf 1 februari 1986 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het College het recht op bijstand van belanghebbende per 1 september 2009 ingetrokken, en de gemaakte kosten van bijstand van belanghebbende teruggevorderd over de periode van 1 september 2009 tot en met 31 augustus 2011. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat belanghebbende sinds 1 september 2009 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [C] (hierna: [C]).
2.1.2.
Belanghebbende en [C] hadden gedurende de periode waarop dit geding betrekking heeft ieder een woning. Belanghebbende verbleef in die periode telkens op maandag, dinsdag en donderdag bij [C] in haar woning en hij bleef daar op deze dagen ook slapen. [C] verbleef in die periode telkens in het weekend in de woning van belanghebbende.
2.2.1.
Het geschil voor de Centrale Raad betrof de vraag of belanghebbende en [C] in de periode van 1 september 2009 tot en met 18 oktober 2011 een gezamenlijke huishouding hadden in de zin van artikel 3, lid 3, van de WWB. De Centrale Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord.
2.2.2.
Daartoe heeft de Centrale Raad in de eerste plaats geoordeeld dat belanghebbende en [C] in de periode van 1 september 2009 tot en met 18 oktober 2011 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Daartoe heeft de Centrale Raad onder meer geoordeeld dat ingeval afzonderlijke adressen worden aangehouden, voor het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning aannemelijk zal moeten zijn dat een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. In het onderhavige geval hadden de betrokkenen naar het oordeel van de Centrale Raad hun hoofdverblijf in dezelfde woning omdat belanghebbende gedurende drie dagen en nachten bij [C] in haar woning verbleef en [C] gedurende het weekend in de woning van belanghebbende.
2.2.3.
Verder heeft de Centrale Raad geoordeeld dat bij belanghebbende en [C] sprake is geweest van wederzijdse zorg.
2.3.1.
Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 vermelde oordeel van de Centrale Raad heeft het volgende te gelden.
2.3.2.
Een van de voorwaarden om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding is volgens artikel 3, lid 3, van de WWB dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Indien – zoals in het onderhavige geval – sprake is van twee personen aan wie ieder een woning ter beschikking staat, en die ieder afwisselend in deze beide woningen verblijven, zal ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk moeten worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Deze beoordeling dient plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de betrokkene bevindt. De mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokken personen dit zwaartepunt zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Die mogelijkheid bestaat ook indien deze personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen, zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen. Opmerking verdient nog dat voor de toepassing van artikel 3, lid 3, van de WWB niet bepalend is of de verhouding tussen de betrokken personen naar spraakgebruik kan worden aangeduid als een LAT-relatie.
2.3.3.
De Centrale Raad heeft geoordeeld dat de betrokkenen hoofdverblijf hadden in dezelfde woning omdat belanghebbende gedurende drie dagen en nachten bij [C] in haar woning verbleef en [C] gedurende het weekend in de woning van belanghebbende. Kennelijk heeft de Centrale Raad daarbij maatgevend geacht dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. Aldus heeft de Centrale Raad hetgeen hiervoor onder 2.3.2 is overwogen miskend en daarmee artikel 3, lid 3, van de WWB geschonden. In zoverre zijn de klachten gegrond.
2.4.
De klachten falen voor zover zij zich richten tegen het hiervoor in 2.2.3 vermelde oordeel van de Centrale Raad dat sprake is van wederzijdse zorg. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 is overwogen kan de uitspraak van de Centrale Raad niet in stand blijven. Terugwijzing moet volgen om met inachtneming van onderdeel 2.3.2 van dit arrest vast te stellen of belanghebbende en [C] in de periode van 1 september 2009 tot en met 18 oktober 2011 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
3Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door de Centrale Raad zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor de Centrale Raad en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep,
wijst het geding terug naar de Centrale Raad van Beroep ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1960 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015.