Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:52
2015-01-13
Strafrecht
13/04515
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:52 → ECLI:NL:PHR:2014:2542 contrair
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO. Géén verweer gevoerd dat het Hof niet bevoegd was om kennis te nemen van de zaak. Anders: CAG.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:PHR:2020:337 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:337 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2017:1378 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2017
- ECLI:NL:GHARL:2015:7942 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-10-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (2.139 tekens)
13 januari 2015
Strafkamer
nr. S 13/04515
NA/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 12 maart 2013, nummer 21/003563-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Het middel behelst de - zoals uit de inhoud van de conclusie van de Advocaat-Generaal blijkt: tevergeefs voorgestelde - klacht dat niet het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als nevenzittingsplaats van het Gerechtshof Amsterdam, maar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden rechtstreeks bevoegd was om kennis te nemen van de strafzaak tegen de verdachte.
2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar door de verdediging niet aangevoerd dat het Hof niet bevoegd was om kennis te nemen van de zaak. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd niet kan blijken van enig in rechte te respecteren belang van de verdachte bij het onderhavige cassatieberoep, kan de verdachte - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - niet worden ontvangen in dit beroep.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2015.
Strafkamer
nr. S 13/04515
NA/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 12 maart 2013, nummer 21/003563-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Het middel behelst de - zoals uit de inhoud van de conclusie van de Advocaat-Generaal blijkt: tevergeefs voorgestelde - klacht dat niet het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als nevenzittingsplaats van het Gerechtshof Amsterdam, maar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden rechtstreeks bevoegd was om kennis te nemen van de strafzaak tegen de verdachte.
2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar door de verdediging niet aangevoerd dat het Hof niet bevoegd was om kennis te nemen van de zaak. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd niet kan blijken van enig in rechte te respecteren belang van de verdachte bij het onderhavige cassatieberoep, kan de verdachte - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - niet worden ontvangen in dit beroep.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2015.