Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2015:262

2015-02-06 Civiel recht 15/00330
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2015-02-06
Publicatiedatum
2015-02-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Raadkamer
Zaaknummer
15/00330
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Uitspraak vierde kamer. Vordering PG tot ontslag rechterlijk ambtenaar o.g.v. arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, art. 46o Wrra. HR wijst de vordering toe; art. 46i lid 1 en 46j Wrra.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.133 tekens)
6 februari 2015
Vierde Kamer
15/00330

Hoge Raad der Nederlanden


Arrest



op een vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 23 januari 2015, tot ontslag als rechterlijk ambtenaar van:

[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats] (hierna: de betrokkene).






1De vordering van de Procureur-Generaal


De Procureur-Generaal heeft op 23 januari 2015 schriftelijk gevorderd dat de Hoge Raad betrokkene op voet van artikel 46i, lid 1, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) zal ontslaan met ingang van 1 maart 2015.
Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal onder meer de volgende stukken overgelegd:



brief van de president van de rechtbank Zeeland-West-Brabant houdende een vordering tot ontslag van de betrokkene, d.d. 9 oktober 2014 (verzonden op 17 oktober 2014), met bijlagen;


brief van de Procureur-Generaal d.d. 27 november 2014 aan de betrokkene;


brief van de betrokkene d.d. 5 januari 2015 aan de Procureur-Generaal;


proces-verbaal van het gehoor op grond van artikel 46o, lid 3, Wrra d.d. 17 december 2014.






2De raadkamer


Op 2 februari 2015 is door de Hoge Raad in raadkamer het onderzoek, als bedoeld in artikel 46p, lid 1, Wrra, ingesteld.
De betrokkene en de president van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zijn bij brief van 26 januari 2015 in kennis gesteld van het tijdstip waarop de Hoge Raad het onderzoek in raadkamer zou instellen. Beiden hebben per e-mail aan de griffier laten weten af te zien van hun aanwezigheid in raadkamer; zij hebben daarbij te kennen gegeven dat zij wensen dat de vordering wordt toegewezen.
De Procureur-Generaal heeft de vordering in raadkamer mondeling toegelicht.





3Beoordeling van het verzoek


3.1
De betrokkene is rechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant en derhalve een voor het leven benoemd rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b Wrra.



3.2
Artikel 46i, lid 1, Wrra bepaalt dat de rechterlijk ambtenaar, wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, door de Hoge Raad kan worden ontslagen, indien:
a. de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heef geduurd;
b. herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten; en
c. naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame re-integratie in de eigen arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van de Minister van Veiligheid en Justitie, of in passende arbeid buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.


Artikel 46j Wrra bepaalt voorts dat bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i, lid 1, de uitslag wordt betrokken van de beoordeling door het UWV.




3.3
Gelet op de door de Procureur-Generaal overgelegde stukken en het in raadkamer ingestelde onderzoek is voldaan aan de in artikel 46i, lid 1, aanhef en onder a, b en c, Wrra genoemde voorwaarden. De Hoge Raad is van oordeel dat voldoende gronden aanwezig zijn om de betrokkene op de voet van artikel 46i Wrra per 1 maart 2015 als rechterlijk ambtenaar ontslag te verlenen.





4Beslissing


De Hoge Raad ontslaat [betrokkene], rechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, als rechterlijk ambtenaar per 1 maart 2015.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris, als voorzitter en de raadsheren E.N. Punt, C.A. Streefkerk, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, in tegenwoordigheid van de griffier J. Storm, en is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2015.