Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:147
2015-01-30
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/01954
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:147 → ECLI:NL:GHAMS:2014:1045 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Art. 8:73 Awb (oud). Matiging immateriële schadevergoeding in geval van gezamenlijk behandelde zaken van verscheidene belanghebbenden die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex?
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2012:BW9866 Hoge Raad 29-06-2012
- ECLI:NL:HR:2014:540 Hoge Raad 21-03-2014
- ECLI:NL:CBB:2014:234 College van Beroep voor het bedrijfsleven 24-06-2014
- ECLI:NL:RVS:2011:BP3701 Raad van State 09-02-2011
Geciteerd door (109)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2008 Gerechtshof Amsterdam 02-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1444 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9381 Rechtbank Den Haag 09-02-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3471 Gerechtshof Amsterdam 11-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2352 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-09-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:9879 Rechtbank Noord-Holland 26-08-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:811 Gerechtshof Amsterdam 20-03-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:810 Gerechtshof Amsterdam 20-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9983 Rechtbank Den Haag 20-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9979 Rechtbank Den Haag 20-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9977 Rechtbank Den Haag 20-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3479 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8902 Rechtbank Noord-Holland 23-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8903 Rechtbank Noord-Holland 23-04-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:346 Rechtbank Noord-Nederland 06-02-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:347 Rechtbank Noord-Nederland 06-02-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:345 Rechtbank Noord-Nederland 06-02-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:343 Rechtbank Noord-Nederland 06-02-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:344 Rechtbank Noord-Nederland 06-02-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:348 Rechtbank Noord-Nederland 06-02-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2023:5493 Rechtbank Noord-Nederland 21-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6241 Rechtbank Noord-Holland 04-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6247 Rechtbank Noord-Holland 04-07-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1601 Gerechtshof Amsterdam 13-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:809 Gerechtshof Amsterdam 21-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:810 Gerechtshof Amsterdam 21-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:3857 Rechtbank Noord-Holland 15-03-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2022:5171 Rechtbank Noord-Nederland 23-12-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:5172 Rechtbank Noord-Nederland 23-12-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:5173 Rechtbank Noord-Nederland 23-12-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:5174 Rechtbank Noord-Nederland 23-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3829 Gerechtshof Amsterdam 06-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3828 Gerechtshof Amsterdam 06-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3424 Gerechtshof Amsterdam 29-11-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3423 Gerechtshof Amsterdam 29-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4234 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2262 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2238 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1428 Gerechtshof Amsterdam 10-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:490 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:491 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3291 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3295 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:1694 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-04-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:65 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 31-03-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:1296 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-03-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2020:6382 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-12-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:3387 Rechtbank Noord-Nederland 30-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9047 Rechtbank Noord-Holland 10-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9046 Rechtbank Noord-Holland 10-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5596 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5593 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5590 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5591 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5592 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5594 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5606 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5604 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5605 Rechtbank Den Haag 28-04-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (6.904 tekens)
30 januari 2015
nr. 14/01954
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X1] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2014, nrs. 12/00498 en 12/00499, betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2012, nr. 11/00554, ECLI:NL:HR:2012:BW9866, BNB 2012/250, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2Het tweede geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
3Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
4.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade, omdat in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden. Het Hof is bij de vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding uitgegaan van het normbedrag van € 500 per halfjaar, zoals genoemd in onder meer het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECL1:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, en heeft deze schadevergoeding toegekend voor een aantal door het Hof gezamenlijk behandelde zaken van belanghebbende. Het Hof heeft een soortgelijke schadevergoeding toegekend voor een aantal door het Hof gezamenlijk behandelde zaken van de directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende (hierna: de dga). Het middel betoogt, kort gezegd, dat het Hof had moeten volstaan met één schadevergoeding, en wel voor de dga, omdat de door een rechtspersoon als belanghebbende ondervonden spanning en frustratie feitelijk wordt ondergaan door een van de organen van die rechtspersoon, in het onderhavige geval de dga, en daarom samenvalt met de door de dga ondervonden spanning en frustratie.
4.2.
Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dient in een geval als het onderhavige, waarin verscheidene zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117). Voorts kan het feit dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen (in dezelfde zin onder meer CBB 24 juni 2014, nr. AWB 08/748 e.a., ECLI:NL:CBB:2014:234, onderscheidenlijk ABRvS 9 februari 2011, nr. 200908260/1/M2, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701, AB 2012/107). Bij het laatste blijft voorop staan dat iedere belanghebbende bij de procedure of bij de gezamenlijk behandelde zaken een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft, ook als de belanghebbende een rechtspersoon is.
4.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat in een geval waarin de in hoofdzaak op hetzelfde feitencomplex betrekking hebbende zaken gezamenlijk zijn behandeld, kan worden volstaan met toekenning van een schadevergoeding in één of enkele zaken van dezelfde belastingplichtige, terwijl in de overige zaken wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Toetsend aan deze uitgangspunten heeft het Hof het redelijk geoordeeld om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen aan zowel belanghebbende als de dga. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de door het Hof gezamenlijk behandelde zaken, kort gezegd, betrekking hadden op geschillen betreffende de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting tussen de Inspecteur enerzijds en belanghebbende en de dga anderzijds, welke zaken inhoudelijk sterk verwant zijn doordat zij betrekking hebben op min of meer hetzelfde feitencomplex over een periode van vijf jaren.
Met deze oordelen heeft het Hof het hiervoor in 4.2 overwogene niet miskend. Onjuist is de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat in een geval als het onderhavige een schadevergoeding aan de rechtspersoon steeds achterwege dient te blijven. De oordelen kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.
5Proceskosten
Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 14/01956 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 980, derhalve € 490, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2015.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 493.
nr. 14/01954
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X1] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2014, nrs. 12/00498 en 12/00499, betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting, de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2012, nr. 11/00554, ECLI:NL:HR:2012:BW9866, BNB 2012/250, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2Het tweede geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
3Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
4.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade, omdat in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden. Het Hof is bij de vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding uitgegaan van het normbedrag van € 500 per halfjaar, zoals genoemd in onder meer het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECL1:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, en heeft deze schadevergoeding toegekend voor een aantal door het Hof gezamenlijk behandelde zaken van belanghebbende. Het Hof heeft een soortgelijke schadevergoeding toegekend voor een aantal door het Hof gezamenlijk behandelde zaken van de directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende (hierna: de dga). Het middel betoogt, kort gezegd, dat het Hof had moeten volstaan met één schadevergoeding, en wel voor de dga, omdat de door een rechtspersoon als belanghebbende ondervonden spanning en frustratie feitelijk wordt ondergaan door een van de organen van die rechtspersoon, in het onderhavige geval de dga, en daarom samenvalt met de door de dga ondervonden spanning en frustratie.
4.2.
Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dient in een geval als het onderhavige, waarin verscheidene zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117). Voorts kan het feit dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen (in dezelfde zin onder meer CBB 24 juni 2014, nr. AWB 08/748 e.a., ECLI:NL:CBB:2014:234, onderscheidenlijk ABRvS 9 februari 2011, nr. 200908260/1/M2, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701, AB 2012/107). Bij het laatste blijft voorop staan dat iedere belanghebbende bij de procedure of bij de gezamenlijk behandelde zaken een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft, ook als de belanghebbende een rechtspersoon is.
4.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat in een geval waarin de in hoofdzaak op hetzelfde feitencomplex betrekking hebbende zaken gezamenlijk zijn behandeld, kan worden volstaan met toekenning van een schadevergoeding in één of enkele zaken van dezelfde belastingplichtige, terwijl in de overige zaken wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Toetsend aan deze uitgangspunten heeft het Hof het redelijk geoordeeld om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen aan zowel belanghebbende als de dga. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de door het Hof gezamenlijk behandelde zaken, kort gezegd, betrekking hadden op geschillen betreffende de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting tussen de Inspecteur enerzijds en belanghebbende en de dga anderzijds, welke zaken inhoudelijk sterk verwant zijn doordat zij betrekking hebben op min of meer hetzelfde feitencomplex over een periode van vijf jaren.
Met deze oordelen heeft het Hof het hiervoor in 4.2 overwogene niet miskend. Onjuist is de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat in een geval als het onderhavige een schadevergoeding aan de rechtspersoon steeds achterwege dient te blijven. De oordelen kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.
5Proceskosten
Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 14/01956 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 980, derhalve € 490, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2015.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 493.