Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:1341
2015-05-26
Strafrecht
14/04785
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:1341 → ECLI:NL:PHR:2015:673
Inhoudsindicatie
Beslissing uitlevering: niet blijkt dat deze in het openbaar is uitgesproken (art. 29.1 UW i.v.m. art. 362.1 Sv). De HR zal doen wat de Rb had behoren te doen en zelf de bestreden beslissing ter openbare tz. uitspreken (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ7799).
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BJ7799 Hoge Raad 15-12-2009
Geciteerd door (7)
- ECLI:NL:PHR:2025:1264 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1372 Parket bij de Hoge Raad 17-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:798 Parket bij de Hoge Raad 03-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:934 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1004 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2020:837 Parket bij de Hoge Raad 06-10-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2017:2200 Rechtbank Amsterdam 24-03-2017
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.442 tekens)
26 mei 2015
Strafkamer
nr. S 14/04785 U
CeH/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 23 september 2014, nummer 13/737898-13, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen en zelf de uitspraak ter openbare zitting zal uitspreken en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel behelst de klacht dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.
2.2.
Uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken blijkt niet dat de bestreden beslissing overeenkomstig art. 29, eerste lid, Uitleveringswet in verbinding met art. 362, eerste lid, Sv in het openbaar is uitgesproken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied. Het middel klaagt daarover terecht.
2.3.
De Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen en zelf de bestreden beslissing ter openbare terechtzitting uitspreken (vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799, NJ 2010/610).
3Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015.
Strafkamer
nr. S 14/04785 U
CeH/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 23 september 2014, nummer 13/737898-13, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen en zelf de uitspraak ter openbare zitting zal uitspreken en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel behelst de klacht dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.
2.2.
Uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken blijkt niet dat de bestreden beslissing overeenkomstig art. 29, eerste lid, Uitleveringswet in verbinding met art. 362, eerste lid, Sv in het openbaar is uitgesproken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied. Het middel klaagt daarover terecht.
2.3.
De Hoge Raad zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen en zelf de bestreden beslissing ter openbare terechtzitting uitspreken (vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799, NJ 2010/610).
3Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015.