Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:134
2015-01-27
Strafrecht
14/00062
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:134 → ECLI:NL:GHAMS:2013:4641 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:134 → ECLI:NL:PHR:2014:2809 gevolgd
Inhoudsindicatie
Vordering b.p. Voldoende verband rechtstreekse schade a.b.i. art. 51f en art. 361.2 Sv.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (21)
- ECLI:NL:PHR:2025:646 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:317 Parket bij de Hoge Raad 14-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:499 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:479 Parket bij de Hoge Raad 09-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:865 Parket bij de Hoge Raad 27-09-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7462 Rechtbank Amsterdam 14-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:24 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2020
- ECLI:NL:HR:2019:793 Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:2484 Rechtbank Amsterdam 04-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:68 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:30 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:31 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1550 Parket bij de Hoge Raad 12-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1064 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:337 Parket bij de Hoge Raad 21-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:247 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1528 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:626 Parket bij de Hoge Raad 24-05-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:626 Parket bij de Hoge Raad 24-05-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:626 Parket bij de Hoge Raad 24-05-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:270 Parket bij de Hoge Raad 23-02-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (6.497 tekens)
27 januari 2015
Strafkamer
nr. 14/00062
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 december 2013, nummer 23/002833-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het vierde middel
3.1.
Het middel behelst onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof dat de schade aan de fiets waarvan de benadeelde partij [betrokkene] vergoeding heeft gevorderd, als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde feit is geleden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.1.
In het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
"op 28 januari 2013 te Amsterdam, opzettelijk [betrokkene] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht duwen tegen de rug van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] ten val is gekomen, en uit het met de vuist slaan tegen het gezicht van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
"1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL131B 2013022296-1 van 28 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], met in de bijlage foto's van het letsel (p. 6-12).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene], zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2013 te 09.30 uur werd op de Ankerplaats te Amsterdam het feit gepleegd. [...] Ik wens aangifte te doen van mishandeling tegen mijn ex-vriend [verdachte]. [verdachte] kwam vanaf een flat aanlopen. Ik was in paniek en ik stond aan de grond genageld. Ik had de fiets nog aan mijn hand. Ik zag dat [verdachte] op mij afkwam lopen. Ik liet uit reflex mijn fiets vallen. Ik ben gaan rennen richting het winkelcentrum "Ankerplaats". Ik ging rennen en ik zag dat [verdachte] ook in mijn richting ging rennen. Ik werd geduwd door [verdachte]. Ik voelde een duw van achteren, ter hoogte van mijn rug, schouder en misschien ook wel mijn hoofd. Voordat ik het wist, lag ik op de grond. Mijn handen en knieën raakten als eerste de grond. Ik heb nu ook schaafwonden. Voordat ik het wist voelde en zag ik dat ik een stoot op mijn linkeroog kreeg van [verdachte]. Het voelde alsof hij zijn vuist gebruikte. Op het moment dat hij mij sloeg, viel mijn linkeroorbel uit. Mijn linkeroog is dik en blauw. Mijn onderste voortanden voelen geribbeld. Ik heb ook last van hoofdpijn en misselijkheid."
3.2.3.
Het – door het Hof bevestigde – vonnis van de Rechtbank, houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] het volgende in:
"[betrokkene] heeft zich als benadeelde partij gevoegd tot een totaalbedrag van € 908,39 (negenhonderdenacht euro en negenendertig eurocent). Zij vordert dat verdachte de door haar geleden immateriële schade en materiële schade (reparatie fiets, behandeling tandarts en reiskosten) zal vergoeden.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [betrokkene], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde rechtstreeks schade heeft geleden.
(...)
Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Wat betreft de gestelde schade aan de fiets van voornoemde [betrokkene] is op basis van het voorliggende dossier voldoende vast komen te staan dat [betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan. Dat de feitelijke mishandeling pas kort daarna heeft plaatsgevonden, maakt niet dat de schade aan de fiets niet als rechtstreeks gevolg van de mishandeling kan worden aangemerkt. (...)"
3.3.
In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat "[betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan", geeft 's Hofs oordeel dat de door [betrokkene] geleden schade aan haar fiets in zodanig nauw verband staat met de bewezenverklaarde mishandeling van haar door de verdachte, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan [betrokkene] toegebracht door het bewezenverklaarde feit als bedoeld in art. 51f en art. 361, tweede lid onder b, Sv niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
3.4.
Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3.5.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2015.
Strafkamer
nr. 14/00062
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 december 2013, nummer 23/002833-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het vierde middel
3.1.
Het middel behelst onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof dat de schade aan de fiets waarvan de benadeelde partij [betrokkene] vergoeding heeft gevorderd, als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde feit is geleden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.1.
In het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
"op 28 januari 2013 te Amsterdam, opzettelijk [betrokkene] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht duwen tegen de rug van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] ten val is gekomen, en uit het met de vuist slaan tegen het gezicht van voornoemde [betrokkene], waardoor voornoemde [betrokkene] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
"1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL131B 2013022296-1 van 28 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], met in de bijlage foto's van het letsel (p. 6-12).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene], zakelijk weergegeven:
Op 28 januari 2013 te 09.30 uur werd op de Ankerplaats te Amsterdam het feit gepleegd. [...] Ik wens aangifte te doen van mishandeling tegen mijn ex-vriend [verdachte]. [verdachte] kwam vanaf een flat aanlopen. Ik was in paniek en ik stond aan de grond genageld. Ik had de fiets nog aan mijn hand. Ik zag dat [verdachte] op mij afkwam lopen. Ik liet uit reflex mijn fiets vallen. Ik ben gaan rennen richting het winkelcentrum "Ankerplaats". Ik ging rennen en ik zag dat [verdachte] ook in mijn richting ging rennen. Ik werd geduwd door [verdachte]. Ik voelde een duw van achteren, ter hoogte van mijn rug, schouder en misschien ook wel mijn hoofd. Voordat ik het wist, lag ik op de grond. Mijn handen en knieën raakten als eerste de grond. Ik heb nu ook schaafwonden. Voordat ik het wist voelde en zag ik dat ik een stoot op mijn linkeroog kreeg van [verdachte]. Het voelde alsof hij zijn vuist gebruikte. Op het moment dat hij mij sloeg, viel mijn linkeroorbel uit. Mijn linkeroog is dik en blauw. Mijn onderste voortanden voelen geribbeld. Ik heb ook last van hoofdpijn en misselijkheid."
3.2.3.
Het – door het Hof bevestigde – vonnis van de Rechtbank, houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] het volgende in:
"[betrokkene] heeft zich als benadeelde partij gevoegd tot een totaalbedrag van € 908,39 (negenhonderdenacht euro en negenendertig eurocent). Zij vordert dat verdachte de door haar geleden immateriële schade en materiële schade (reparatie fiets, behandeling tandarts en reiskosten) zal vergoeden.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [betrokkene], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde rechtstreeks schade heeft geleden.
(...)
Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Wat betreft de gestelde schade aan de fiets van voornoemde [betrokkene] is op basis van het voorliggende dossier voldoende vast komen te staan dat [betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan. Dat de feitelijke mishandeling pas kort daarna heeft plaatsgevonden, maakt niet dat de schade aan de fiets niet als rechtstreeks gevolg van de mishandeling kan worden aangemerkt. (...)"
3.3.
In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat "[betrokkene] de fiets heeft laten vallen als gevolg van het feit dat verdachte op haar afkwam om haar te lijf te gaan", geeft 's Hofs oordeel dat de door [betrokkene] geleden schade aan haar fiets in zodanig nauw verband staat met de bewezenverklaarde mishandeling van haar door de verdachte, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan [betrokkene] toegebracht door het bewezenverklaarde feit als bedoeld in art. 51f en art. 361, tweede lid onder b, Sv niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
3.4.
Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3.5.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2015.