Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2014:919

2014-04-15 Strafrecht 13/02714
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2014-04-15
Publicatiedatum
2014-04-15
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
13/02714
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2014/672 | SR-Updates.nl 2014-0180

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Betekening appeldagvaarding. Art. 588.1 aanhef en onder b sub 2 Sv. HR herhaalt de relevante overweging (rov. 3.24 sub b) uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163. Het oordeel van het Hof dat het namens verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres diende te worden aangemerkt als het uit de stukken blijkend adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon-of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (7)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.457 tekens)
15 april 2014
Strafkamer
nr. 13/02714

Hoge Raad der Nedrlanden


Arrest



op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2011, nummer 22/004627-10, in de strafzaak tegen:



[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943.




1Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.





2Beoordeling van het middel


2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend.



2.2.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
(i) een appelakte van 9 september 2010 waarin als adres van de verdachte is vermeld: [a-straat 1] te Rotterdam;

(ii) een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat die dagvaarding op 17 januari 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is;
(iii) een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB van 17 januari 2011, inhoudende dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd en vanaf 21 oktober 2010 geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft;
(iv) een eveneens aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat:

- die dagvaarding op 17 januari 2011 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te Rotterdam en op 31 januari 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, en
- een afschrift daarvan op 31 januari 2011 is verzonden aan het adres [a-straat 1] te Rotterdam;
(v) een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB van 31 januari 2011, inhoudende dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd en vanaf 21 oktober 2010 geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft;
(vi) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, inhoudende als adres van de verdachte [a-straat 1] te Rotterdam en voorts inhoudende als vaststelling van het Hof dat de verdachte niet is verschenen.


2.3.1.
De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de GBA noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op het uit de stukken blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.24 sub b).



2.3.2.
In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het Hof besloten dat het namens de verdachte - die ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding niet op een adres was ingeschreven in de GBA - bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres diende te worden aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden.




2.4.
Het middel faalt.




3Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2014.