Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:3105
2014-11-04
Strafrecht
12/05177
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:3105 → ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1284 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:3105 → ECLI:NL:PHR:2014:1938 gevolgd
Inhoudsindicatie
Falende bewijsklacht schuld a.b.i. art. 6 WVW 1994. HR herhaalt relevante overwegingen over toetsing in cassatie uit ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252. ’s Hofs oordeel dat verdachte, mede als gevolg van de door hem ingenomen alcoholhoudende drank, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest, waardoor hij de voetgangster niet heeft gezien en in aanrijding met haar is gekomen, dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2004:AO5822 Hoge Raad 01-06-2004
Geciteerd door (9)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2978 Gerechtshof Den Haag 01-10-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1110 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:95 Parket bij de Hoge Raad 20-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1448 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3020 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1298 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:85 Parket bij de Hoge Raad 29-01-2019
- ECLI:NL:HR:2017:513 Hoge Raad 10-01-2017
- ECLI:NL:RBMNE:2014:6354 Rechtbank Midden-Nederland 04-12-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.575 tekens)
4 november 2014
Strafkamer
nr. 12/05177
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2012, nummer 20/003508-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel komt op tegen de bewezenverklaarde "schuld" als bedoeld in art. 6 WVW 1994.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 24 mei 2010 te Lith als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot type 307), daarmede rijdende over de weg, Mr. van Coothstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen als volgt:
verdachte heeft rijdende over de Mr. van Coothstraat, een vóór zich (aan de, gezien verdachte's rijrichting, rechterzijde) op die Mr. van Coothstraat, zich bevindende voetganger, dan wel een in de berm van die Mr. van Coothstraat, zich bevindende voetganger (genaamd [slachtoffer]) niet opgemerkt en is (vervolgens) niet naar links uitgeweken en heeft niet geremd, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde personenauto en die voetganger, waardoor een ander (te weten die voetganger, genaamd [slachtoffer]) werd gedood, zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van dit ongeval, zijn personenauto bestuurde na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 ondier a van de Wegenverkeerswet 1994,465 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn".
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering van het Hof zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 7.
2.3.
Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252).
2.4.
Uit de nadere bewijsoverweging van het Hof blijkt dat het Hof voor het bewijs van het aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen in het bijzonder van belang heeft geacht dat de verdachte, rijdend onder invloed van alcohol op een hem bekende rechte, overzichtelijke weg waarvan het hem bekend is dat zich daar mogelijk personen kunnen bevinden, niet heeft geremd of uitgeweken voor een voetgangster die voor hem zichtbaar moet zijn geweest op het rechter weggedeelte van deze weg. Aldus geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte, mede als gevolg van de door hem ingenomen alcoholhoudende drank, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest, waardoor hij de voetgangster niet heeft gezien en in aanrijding met haar is gekomen, dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het middel faalt.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.
Strafkamer
nr. 12/05177
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2012, nummer 20/003508-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel komt op tegen de bewezenverklaarde "schuld" als bedoeld in art. 6 WVW 1994.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 24 mei 2010 te Lith als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot type 307), daarmede rijdende over de weg, Mr. van Coothstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te handelen als volgt:
verdachte heeft rijdende over de Mr. van Coothstraat, een vóór zich (aan de, gezien verdachte's rijrichting, rechterzijde) op die Mr. van Coothstraat, zich bevindende voetganger, dan wel een in de berm van die Mr. van Coothstraat, zich bevindende voetganger (genaamd [slachtoffer]) niet opgemerkt en is (vervolgens) niet naar links uitgeweken en heeft niet geremd, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde personenauto en die voetganger, waardoor een ander (te weten die voetganger, genaamd [slachtoffer]) werd gedood, zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van dit ongeval, zijn personenauto bestuurde na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 ondier a van de Wegenverkeerswet 1994,465 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn".
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering van het Hof zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 7.
2.3.
Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252).
2.4.
Uit de nadere bewijsoverweging van het Hof blijkt dat het Hof voor het bewijs van het aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen in het bijzonder van belang heeft geacht dat de verdachte, rijdend onder invloed van alcohol op een hem bekende rechte, overzichtelijke weg waarvan het hem bekend is dat zich daar mogelijk personen kunnen bevinden, niet heeft geremd of uitgeweken voor een voetgangster die voor hem zichtbaar moet zijn geweest op het rechter weggedeelte van deze weg. Aldus geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte, mede als gevolg van de door hem ingenomen alcoholhoudende drank, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest, waardoor hij de voetgangster niet heeft gezien en in aanrijding met haar is gekomen, dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het middel faalt.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2014.