Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:2984
2014-10-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/00955
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:2984 → ECLI:NL:GHARL:2014:36 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; Artikel 3.95 juncto artikel 3.25 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Afwaardering regresvordering die voortvloeit uit hoofdelijke aansprakelijkheid.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2011:BN3442 Hoge Raad 25-11-2011
- ECLI:NL:HR:2003:AH8973 Hoge Raad 12-12-2003
Geciteerd door (76)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:3464 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1475 Gerechtshof Den Haag 10-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1475 Gerechtshof Den Haag 10-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1916 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-06-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:191 Rechtbank Gelderland 17-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:63 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:62 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-01-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2023:12635 Rechtbank Noord-Holland 15-12-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:10190 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2156 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2022:8936 Rechtbank Noord-Holland 17-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3672 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1744 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1744 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:934 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1080 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4082 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-08-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3259 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:2683 Rechtbank Gelderland 01-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3830 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3831 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3501 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3500 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3501 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:288 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:9550 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:8940 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-10-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1234 Gerechtshof Amsterdam 07-04-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1234 Gerechtshof Amsterdam 07-04-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1234 Gerechtshof Amsterdam 07-04-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:787 Gerechtshof Den Haag 01-04-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1802 Rechtbank Gelderland 11-03-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1661 Rechtbank Gelderland 11-03-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1621 Rechtbank Gelderland 10-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:496 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:496 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-02-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:61 Rechtbank Gelderland 09-01-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2019:5908 Rechtbank Gelderland 17-12-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3589 Rechtbank Gelderland 08-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3387 Rechtbank Gelderland 25-07-2019
- ECLI:NL:HR:2019:681 Hoge Raad 10-05-2019
- ECLI:NL:RBNHO:2019:1548 Rechtbank Noord-Holland 15-02-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2018:5263 Rechtbank Gelderland 10-12-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:10037 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-11-2018
- ECLI:NL:RBNHO:2018:10037 Rechtbank Noord-Holland 16-11-2018
- ECLI:NL:RBNHO:2018:10037 Rechtbank Noord-Holland 16-11-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2547 Gerechtshof Den Haag 26-09-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2547 Gerechtshof Den Haag 26-09-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:739 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2328 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:6579 Rechtbank Den Haag 23-05-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:6579 Rechtbank Den Haag 23-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:120 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2018
- ECLI:NL:RBNNE:2017:3875 Rechtbank Noord-Nederland 11-10-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2017:3874 Rechtbank Noord-Nederland 11-10-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:7695 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-09-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2017:3317 Rechtbank Noord-Nederland 29-08-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (6.596 tekens)
17 oktober 2014
nr. 14/00955
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2014, nr. 13/00331, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. AWB LEE 11/2397) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is enig aandeelhouder van de op 1 november 2002 opgerichte vennootschap [A] Beheer B.V. (hierna: de vennootschap).
2.1.2.
De Rabobank heeft op 14 december 2004 uit hoofde van een overeenkomst van geldlening van 9 december 2004 (hierna: de overeenkomst) een bedrag van € 200.000 (hierna: de geldlening) aan de vennootschap verstrekt. Bij de overeenkomst waren enerzijds de Rabobank en anderzijds de vennootschap en belanghebbende partij. Belanghebbende was hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit hoofde van de geldlening.
2.1.3.
Nadat kwam vast te staan dat de vennootschap niet in staat was haar verplichtingen jegens de Rabobank na te komen, heeft deze laatste belanghebbende aangesproken tot betaling. Na onderhandeling tussen belanghebbende en de Rabobank heeft belanghebbende in 2007 tegen finale kwijting een bedrag van € 160.000 aan de Rabobank betaald ter aflossing van de geldlening. Deze betaling heeft belanghebbende gefinancierd met een lening bij de Rabobank ter zekerheid waarvan hij deze het recht van hypotheek op zijn woonhuis heeft verleend. De kosten voor het afsluiten van deze lening bedroegen € 4764.
2.1.4.
In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 heeft belanghebbende een resultaat uit overige werkzaamheden opgevoerd van € 164.764 negatief.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de stukken van het geding en de verklaring van partijen daaromtrent ter zitting geen aanleiding geven voor het oordeel dat met betrekking tot de overeenkomst sprake zou zijn van een zogenoemde onzakelijke overeenkomst in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, BNB 2012/37. Daartoe heeft het Hof overwogen dat vaststaat dat de geldlening is aangegaan met een onafhankelijke derde, terwijl voorts tussen partijen niet in geschil is dat op het moment van aangaan van de geldlening nog geen sprake was van een onzakelijke lening. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat geen sprake is van een situatie waarin duidelijk was dat de vennootschap het ontvangen krediet in de toekomst niet zou kunnen terugbetalen. De omstandigheid dat geen overeenkomst van borgtocht is gesloten tussen belanghebbende en de vennootschap en de omstandigheid dat belanghebbende geen vergoeding heeft bedongen ter zake van de door hem verstrekte zekerheden, maken naar het oordeel van het Hof nog niet dat daardoor de geldlening een onzakelijk karakter had. Dit oordeel brengt met zich dat belanghebbende, die door de Rabobank is aangesproken als (hoofdelijk aansprakelijke) partij bij de overeenkomst, door de aflossing van de schuld uit hoofde van de geldlening een regresvordering op de vennootschap heeft verkregen ten bedrage van € 160.000, en dat deze vordering geen onzakelijk karakter draagt in de vorenbedoelde zin.
Tegen deze oordelen richten zich de middelen.
2.3.
Indien een aanmerkelijkbelanghouder zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor een geldverstrekking aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, en dat hoofdelijk aansprakelijk stellen slechts kan worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, zal het eventueel uit die hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeiende verlies niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kunnen worden gebracht (vgl. HR 12 december 2003, nr. 38124, ECLI:NL:HR:2003:AH8973, BNB 2004/265).
Voor de beantwoording van de vraag of de hiervoor bedoelde aanvaarding van de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, is beslissend of een (niet van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden (vergelijk het hiervoor in 2.2 vermelde arrest). Met de hiervoor in 2.2. weergegeven oordelen heeft het Hof dit miskend. Dat geen sprake is van een situatie waarin duidelijk was dat de vennootschap het ontvangen krediet in de toekomst niet zou kunnen terugbetalen, sluit niet uit dat een onafhankelijke derde niet (tegen een vergoeding) bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. Bij de beantwoording van deze vraag is niet van belang dat de desbetreffende lening bij een derde is gesloten.
De middelen slagen derhalve.
2.4. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek inzake de vraag of aanvaarding van de hoofdelijke aansprakelijkheid door belanghebbende moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.
nr. 14/00955
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2014, nr. 13/00331, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. AWB LEE 11/2397) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is enig aandeelhouder van de op 1 november 2002 opgerichte vennootschap [A] Beheer B.V. (hierna: de vennootschap).
2.1.2.
De Rabobank heeft op 14 december 2004 uit hoofde van een overeenkomst van geldlening van 9 december 2004 (hierna: de overeenkomst) een bedrag van € 200.000 (hierna: de geldlening) aan de vennootschap verstrekt. Bij de overeenkomst waren enerzijds de Rabobank en anderzijds de vennootschap en belanghebbende partij. Belanghebbende was hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit hoofde van de geldlening.
2.1.3.
Nadat kwam vast te staan dat de vennootschap niet in staat was haar verplichtingen jegens de Rabobank na te komen, heeft deze laatste belanghebbende aangesproken tot betaling. Na onderhandeling tussen belanghebbende en de Rabobank heeft belanghebbende in 2007 tegen finale kwijting een bedrag van € 160.000 aan de Rabobank betaald ter aflossing van de geldlening. Deze betaling heeft belanghebbende gefinancierd met een lening bij de Rabobank ter zekerheid waarvan hij deze het recht van hypotheek op zijn woonhuis heeft verleend. De kosten voor het afsluiten van deze lening bedroegen € 4764.
2.1.4.
In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 heeft belanghebbende een resultaat uit overige werkzaamheden opgevoerd van € 164.764 negatief.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de stukken van het geding en de verklaring van partijen daaromtrent ter zitting geen aanleiding geven voor het oordeel dat met betrekking tot de overeenkomst sprake zou zijn van een zogenoemde onzakelijke overeenkomst in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, BNB 2012/37. Daartoe heeft het Hof overwogen dat vaststaat dat de geldlening is aangegaan met een onafhankelijke derde, terwijl voorts tussen partijen niet in geschil is dat op het moment van aangaan van de geldlening nog geen sprake was van een onzakelijke lening. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat geen sprake is van een situatie waarin duidelijk was dat de vennootschap het ontvangen krediet in de toekomst niet zou kunnen terugbetalen. De omstandigheid dat geen overeenkomst van borgtocht is gesloten tussen belanghebbende en de vennootschap en de omstandigheid dat belanghebbende geen vergoeding heeft bedongen ter zake van de door hem verstrekte zekerheden, maken naar het oordeel van het Hof nog niet dat daardoor de geldlening een onzakelijk karakter had. Dit oordeel brengt met zich dat belanghebbende, die door de Rabobank is aangesproken als (hoofdelijk aansprakelijke) partij bij de overeenkomst, door de aflossing van de schuld uit hoofde van de geldlening een regresvordering op de vennootschap heeft verkregen ten bedrage van € 160.000, en dat deze vordering geen onzakelijk karakter draagt in de vorenbedoelde zin.
Tegen deze oordelen richten zich de middelen.
2.3.
Indien een aanmerkelijkbelanghouder zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor een geldverstrekking aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, en dat hoofdelijk aansprakelijk stellen slechts kan worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, zal het eventueel uit die hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeiende verlies niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kunnen worden gebracht (vgl. HR 12 december 2003, nr. 38124, ECLI:NL:HR:2003:AH8973, BNB 2004/265).
Voor de beantwoording van de vraag of de hiervoor bedoelde aanvaarding van de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, is beslissend of een (niet van de winst van de vennootschap afhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden (vergelijk het hiervoor in 2.2 vermelde arrest). Met de hiervoor in 2.2. weergegeven oordelen heeft het Hof dit miskend. Dat geen sprake is van een situatie waarin duidelijk was dat de vennootschap het ontvangen krediet in de toekomst niet zou kunnen terugbetalen, sluit niet uit dat een onafhankelijke derde niet (tegen een vergoeding) bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. Bij de beantwoording van deze vraag is niet van belang dat de desbetreffende lening bij een derde is gesloten.
De middelen slagen derhalve.
2.4. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek inzake de vraag of aanvaarding van de hoofdelijke aansprakelijkheid door belanghebbende moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.