Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:2935
2014-10-10
Civiel recht; Insolventierecht
14/01512
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:2935 → ECLI:NL:PHR:2014:1764
- prejudicieleVraag ECLI:NL:HR:2014:2935 → ECLI:NL:GHSHE:2014:1474
- prejudicieleVraag ECLI:NL:HR:2014:2935 → ECLI:NL:GHSHE:2014:1473
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). WSNP. Mogelijkheid verlenging na einde schuldsaneringstermijn. Art. 349a lid 2 en 3 Fw. Lopen schuldsaneringsverplichtingen door in de periode gelegen tussen afloop schuldsaneringstermijn art. 349a lid 1 Fw en onherroepelijke beslissing omtrent verlenging?
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2010:BM2337 Hoge Raad 09-07-2010
- ECLI:NL:HR:2011:BO5760 Hoge Raad 28-01-2011
- ECLI:NL:HR:2012:BV0890 Hoge Raad 24-02-2012
- ECLI:NL:HR:2013:BZ1411 Hoge Raad 29-03-2013
Geciteerd door (98)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5646 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:5289 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-08-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2081 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-07-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9028 Rechtbank Rotterdam 16-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:237 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-01-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1072 Hoge Raad 12-07-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1072 Hoge Raad 12-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1244 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:365 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:365 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:365 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:365 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:365 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:365 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:331 Parket bij de Hoge Raad 22-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:331 Parket bij de Hoge Raad 22-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:331 Parket bij de Hoge Raad 22-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3464 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2408 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2408 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4456 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:977 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:977 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:977 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:977 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:977 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:969 Parket bij de Hoge Raad 21-10-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2505 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2509 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-04-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-04-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-04-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-04-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3815 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-12-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3816 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-12-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2272 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:625 Parket bij de Hoge Raad 18-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:625 Parket bij de Hoge Raad 18-06-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1320 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-04-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3914 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-12-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:9902 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2231 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2225 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1466 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-04-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:155 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1138 Parket bij de Hoge Raad 30-09-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3305 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-09-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2776 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2446 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2094 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-06-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2094 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-06-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1101 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-03-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1102 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-03-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4314 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-10-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4314 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-10-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2255 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1809 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-04-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.149 tekens)
10 oktober 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01512
LZ
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER in eerste aanleg,
niet verschenen.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer 10/598 R van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 november 2010 en van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2014;
b. de arresten in de zaak HV 200.140.979/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2014 en 20 maart 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2De prejudiciële procedure
Bij laatstgenoemd arrest heeft het hof bepaald dat aan de Hoge Raad op de voet van art. 392 Rv de in het dictum van dat arrest omschreven vragen worden gesteld.
[verzoekster] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen te maken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt ertoe, dat de Hoge Raad de door het hof opgeworpen vragen zal beantwoorden, zoals in de conclusie onder 5 is omschreven.
3Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.1
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) Bij vonnis van 19 november 2010 is ten aanzien van [verzoekster] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
(ii) Op grond van art. 349a lid 1 Fw is de looptijd van de ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken toepassing van de schuldsaneringsregeling op 19 november 2013 geëindigd.
3.2.1
De bewindvoerder heeft op 15 november 2013 een voordracht gedaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van de ‘schone lei’.
3.2.2
De rechter-commissaris heeft zich op 28 november 2013 verenigd met de voordracht van de bewindvoerder, maar heeft daarbij aangetekend dat de mogelijkheid van verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling moest worden onderzocht.
3.2.3
De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoekster] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van enkele uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, te weten de verplichting om te solliciteren en de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan.
De rechtbank heeft afgezien van een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, omdat [verzoekster] ter zitting uitdrukkelijk heeft laten blijken van mening te zijn dat haar ter zake van de tekortkomingen geen enkele blaam treft en omdat zij de mogelijkheid om de tekortkomingen te herstellen of te compenseren van de hand heeft gewezen. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat aan [verzoekster] herhaaldelijk is voorgehouden op welke wijze zij aan haar verplichtingen dient te voldoen.
3.3.1
In het door [verzoekster] ingestelde hoger beroep heeft het hof overwogen dat [verzoekster] weliswaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om te solliciteren, maar dat de bewindvoerder [verzoekster] tussentijds niet of onvoldoende heeft gewaarschuwd naar aanleiding van deze tekortkomingen (rov. 3.7.2-3.7.4). De nieuw ontstane schuld achtte het hof niet verwijtbaar (rov. 3.7.5).
Hoewel een schone lei (nog) niet aan de orde is, brengen de omstandigheden mee dat [verzoekster] in beginsel de gelegenheid dient te worden geboden alsnog de gewenste inspanning te leveren in het kader van een verlenging, die zij – anders dan in eerste aanleg – in hoger beroep subsidiair ook heeft verzocht (rov. 3.7.6).
Vervolgens heeft het hof de vraag onder ogen gezien of het wettelijk systeem een verlenging toestaat, nu de looptijd van de ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken toepassing van de schuldsaneringsregeling al op 19 november 2013 is geëindigd, dat wil zeggen vóór de zitting van de rechtbank waarop de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en de toekenning van de schone lei aan de orde waren (rov. 3.7.7-3.7.8).
3.3.2
Het hof heeft op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:
1. Is op de voet van art. 349a Fw verlenging mogelijk indien de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds is beëindigd?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: wat betekent dat voor de verplichtingen van de schuldenaar na afloop van de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn, maar voorafgaand aan de definitieve rechterlijke beslissing over de gevraagde verlenging?
3.4.1
Bij de beantwoording van deze vragen wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2
Op grond van art. 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de schuldsaneringsregeling drie jaar, maar kan de rechter in afwijking daarvan de termijn op ten hoogste vijf jaar stellen.
Art. 349a lid 2 Fw kent de rechter-commissaris de bevoegdheid toe om ambtshalve, dan wel op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers, de termijn te wijzigen, en deze op ten hoogste vijf jaar te stellen.
Op grond van art. 349a lid 3 Fw is de rechtbank, onder dezelfde voorwaarden als de rechter-commissaris, bevoegd om in het kader van art. 350 of 352 Fw ambtshalve, dan wel op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers, de termijn te wijzigen.
3.4.3
Uit de wetsgeschiedenis, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3-3.5, volgt dat de wetgever met de in art. 349a lid 2 en 3 Fw voorziene mogelijkheid van verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling met name heeft beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting is gerechtvaardigd dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn. In dergelijke gevallen kan verlenging van de termijn ertoe dienen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen.
3.4.4
In het licht van de hiervoor in 3.4.3 vermelde bedoeling van de wetgever verdient aanbeveling dat de rechter die de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengt, zich in zijn beslissing niet ertoe beperkt de duur van die verlenging te bepalen, maar ook preciseert welke in het algemeen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden.
3.5.1
In antwoord op de eerste prejudiciële vraag overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.5.2
In de eerste plaats is van belang dat de tekst van art. 349a lid 2 en 3 Fw niet uitsluit dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling wordt genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt.
3.5.3
In de tweede plaats pleit de hiervoor in 3.4.3 vermelde bedoeling van de wetgever ervoor om aan te nemen dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt. Het is immers niet uitgesloten dat het late tijdstip waarop de rechter in staat is die beslissing te nemen, het gevolg is van omstandigheden waarop de schuldenaar – bij uitstek degene in wiens belang de mogelijkheid van verlenging in de wet is opgenomen – geen invloed kan uitoefenen.
3.5.4
In de derde plaats volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw weliswaar van rechtswege tot gevolg heeft dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt – de schuldsanering eindigt, maar dat dit aflopen niet meebrengt dat de schuldsaneringsregeling ook overigens is geëindigd, aangezien beëindiging daarvan dient te geschieden met inachtneming van de art. 352-356 Fw (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226; HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5760; HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890, NJ 2012/636; HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1411, NJ 2013/305). Hiermee strookt om aan te nemen dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt, maar de schuldsaneringsregeling nog niet met inachtneming van de art. 352-356 Fw is beëindigd.
3.5.5
Bij hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.4 is overwogen, wordt aangetekend dat het aanbeveling verdient dat de procedure die kan leiden tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling zo tijdig wordt aangevangen dat de beslissing hieromtrent binnen de termijn van art. 349a lid 1 Fw kan worden genomen.
3.5.6
Hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.4 is overwogen, brengt mee dat de eerste prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat de beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt.
3.6.1
In antwoord op de tweede prejudiciële vraag overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.6.2
Uit de hiervoor in 3.5.4 vermelde rechtspraak volgt dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt – de schuldsanering eindigt. Dat geldt ook indien na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt, op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw nog moet worden beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De in de tweede afdeling van titel III Fw voorziene gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling worden opnieuw van toepassing vanaf het moment waarop de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling onherroepelijk is geworden.
Het vorenstaande brengt mee dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
3.6.3
Opmerking verdient dat de rechter in zijn oordeelsvorming ten behoeve van zijn beslissing omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling niet enkel dient te betrekken hetgeen zich heeft voorgedaan gedurende de termijn van art. 349a lid 1 Fw. De rechter is gehouden om in dit verband acht te slaan op alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de gedragingen van de schuldenaar in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop wordt beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De hiervoor in 3.6.2 vermelde omstandigheid dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat de schuldsanering eindigt voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw, staat daaraan niet in de weg.
3.6.4
Hetgeen hiervoor in 3.6.2-3.6.3 is overwogen, brengt mee dat de tweede prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
4Beslissing
De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen aldus:
1. De beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt.
2. De verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, gelden niet in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 oktober 2014.
Eerste Kamer
nr. 14/01512
LZ
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER in eerste aanleg,
niet verschenen.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer 10/598 R van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 november 2010 en van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2014;
b. de arresten in de zaak HV 200.140.979/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2014 en 20 maart 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2De prejudiciële procedure
Bij laatstgenoemd arrest heeft het hof bepaald dat aan de Hoge Raad op de voet van art. 392 Rv de in het dictum van dat arrest omschreven vragen worden gesteld.
[verzoekster] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen te maken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt ertoe, dat de Hoge Raad de door het hof opgeworpen vragen zal beantwoorden, zoals in de conclusie onder 5 is omschreven.
3Beantwoording van de prejudiciële vragen
3.1
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) Bij vonnis van 19 november 2010 is ten aanzien van [verzoekster] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
(ii) Op grond van art. 349a lid 1 Fw is de looptijd van de ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken toepassing van de schuldsaneringsregeling op 19 november 2013 geëindigd.
3.2.1
De bewindvoerder heeft op 15 november 2013 een voordracht gedaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van de ‘schone lei’.
3.2.2
De rechter-commissaris heeft zich op 28 november 2013 verenigd met de voordracht van de bewindvoerder, maar heeft daarbij aangetekend dat de mogelijkheid van verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling moest worden onderzocht.
3.2.3
De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoekster] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van enkele uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, te weten de verplichting om te solliciteren en de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan.
De rechtbank heeft afgezien van een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, omdat [verzoekster] ter zitting uitdrukkelijk heeft laten blijken van mening te zijn dat haar ter zake van de tekortkomingen geen enkele blaam treft en omdat zij de mogelijkheid om de tekortkomingen te herstellen of te compenseren van de hand heeft gewezen. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat aan [verzoekster] herhaaldelijk is voorgehouden op welke wijze zij aan haar verplichtingen dient te voldoen.
3.3.1
In het door [verzoekster] ingestelde hoger beroep heeft het hof overwogen dat [verzoekster] weliswaar is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om te solliciteren, maar dat de bewindvoerder [verzoekster] tussentijds niet of onvoldoende heeft gewaarschuwd naar aanleiding van deze tekortkomingen (rov. 3.7.2-3.7.4). De nieuw ontstane schuld achtte het hof niet verwijtbaar (rov. 3.7.5).
Hoewel een schone lei (nog) niet aan de orde is, brengen de omstandigheden mee dat [verzoekster] in beginsel de gelegenheid dient te worden geboden alsnog de gewenste inspanning te leveren in het kader van een verlenging, die zij – anders dan in eerste aanleg – in hoger beroep subsidiair ook heeft verzocht (rov. 3.7.6).
Vervolgens heeft het hof de vraag onder ogen gezien of het wettelijk systeem een verlenging toestaat, nu de looptijd van de ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken toepassing van de schuldsaneringsregeling al op 19 november 2013 is geëindigd, dat wil zeggen vóór de zitting van de rechtbank waarop de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en de toekenning van de schone lei aan de orde waren (rov. 3.7.7-3.7.8).
3.3.2
Het hof heeft op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:
1. Is op de voet van art. 349a Fw verlenging mogelijk indien de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds is beëindigd?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: wat betekent dat voor de verplichtingen van de schuldenaar na afloop van de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn, maar voorafgaand aan de definitieve rechterlijke beslissing over de gevraagde verlenging?
3.4.1
Bij de beantwoording van deze vragen wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2
Op grond van art. 349a lid 1 Fw bedraagt de termijn van de schuldsaneringsregeling drie jaar, maar kan de rechter in afwijking daarvan de termijn op ten hoogste vijf jaar stellen.
Art. 349a lid 2 Fw kent de rechter-commissaris de bevoegdheid toe om ambtshalve, dan wel op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers, de termijn te wijzigen, en deze op ten hoogste vijf jaar te stellen.
Op grond van art. 349a lid 3 Fw is de rechtbank, onder dezelfde voorwaarden als de rechter-commissaris, bevoegd om in het kader van art. 350 of 352 Fw ambtshalve, dan wel op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een of meer schuldeisers, de termijn te wijzigen.
3.4.3
Uit de wetsgeschiedenis, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3-3.5, volgt dat de wetgever met de in art. 349a lid 2 en 3 Fw voorziene mogelijkheid van verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling met name heeft beoogd een voorziening te treffen voor gevallen waarin na ommekomst van de reguliere termijn nog geen schone lei kan worden verleend, maar de verwachting is gerechtvaardigd dat dit na een (korte) verlenging van die termijn wel mogelijk zal zijn. In dergelijke gevallen kan verlenging van de termijn ertoe dienen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen aanvankelijke tekortkomingen in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te herstellen.
3.4.4
In het licht van de hiervoor in 3.4.3 vermelde bedoeling van de wetgever verdient aanbeveling dat de rechter die de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengt, zich in zijn beslissing niet ertoe beperkt de duur van die verlenging te bepalen, maar ook preciseert welke in het algemeen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gedurende de termijn van de verlenging voor de desbetreffende schuldenaar gelden.
3.5.1
In antwoord op de eerste prejudiciële vraag overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.5.2
In de eerste plaats is van belang dat de tekst van art. 349a lid 2 en 3 Fw niet uitsluit dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling wordt genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt.
3.5.3
In de tweede plaats pleit de hiervoor in 3.4.3 vermelde bedoeling van de wetgever ervoor om aan te nemen dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt. Het is immers niet uitgesloten dat het late tijdstip waarop de rechter in staat is die beslissing te nemen, het gevolg is van omstandigheden waarop de schuldenaar – bij uitstek degene in wiens belang de mogelijkheid van verlenging in de wet is opgenomen – geen invloed kan uitoefenen.
3.5.4
In de derde plaats volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw weliswaar van rechtswege tot gevolg heeft dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt – de schuldsanering eindigt, maar dat dit aflopen niet meebrengt dat de schuldsaneringsregeling ook overigens is geëindigd, aangezien beëindiging daarvan dient te geschieden met inachtneming van de art. 352-356 Fw (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226; HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5760; HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0890, NJ 2012/636; HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1411, NJ 2013/305). Hiermee strookt om aan te nemen dat de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden genomen na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt, maar de schuldsaneringsregeling nog niet met inachtneming van de art. 352-356 Fw is beëindigd.
3.5.5
Bij hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.4 is overwogen, wordt aangetekend dat het aanbeveling verdient dat de procedure die kan leiden tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling zo tijdig wordt aangevangen dat de beslissing hieromtrent binnen de termijn van art. 349a lid 1 Fw kan worden genomen.
3.5.6
Hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.4 is overwogen, brengt mee dat de eerste prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat de beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt.
3.6.1
In antwoord op de tweede prejudiciële vraag overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.6.2
Uit de hiervoor in 3.5.4 vermelde rechtspraak volgt dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt – de schuldsanering eindigt. Dat geldt ook indien na het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt, op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw nog moet worden beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De in de tweede afdeling van titel III Fw voorziene gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling worden opnieuw van toepassing vanaf het moment waarop de beslissing tot verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling onherroepelijk is geworden.
Het vorenstaande brengt mee dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
3.6.3
Opmerking verdient dat de rechter in zijn oordeelsvorming ten behoeve van zijn beslissing omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling niet enkel dient te betrekken hetgeen zich heeft voorgedaan gedurende de termijn van art. 349a lid 1 Fw. De rechter is gehouden om in dit verband acht te slaan op alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de gedragingen van de schuldenaar in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop wordt beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De hiervoor in 3.6.2 vermelde omstandigheid dat het aflopen van de termijn van art. 349a Fw van rechtswege tot gevolg heeft dat de schuldsanering eindigt voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III Fw, staat daaraan niet in de weg.
3.6.4
Hetgeen hiervoor in 3.6.2-3.6.3 is overwogen, brengt mee dat de tweede prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat de verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, niet gelden in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
4Beslissing
De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen aldus:
1. De beslissing om op de voet van art. 349a lid 2 en 3 Fw de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen, kan worden genomen na het moment waarop de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de schuldsaneringsregeling afloopt.
2. De verplichtingen die op grond van de tweede afdeling van titel III Fw voor de schuldenaar voortvloeien uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling, gelden niet in de periode die is gelegen tussen het moment waarop de termijn van art. 349a lid 1 Fw afloopt en het moment waarop onherroepelijk is beslist omtrent de verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 oktober 2014.