Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:131
2014-01-21
Strafrecht
13/02391
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:131 → ECLI:NL:GHSHE:2012:2783 niet ontvankelijk
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:131 → ECLI:NL:PHR:2013:2404 gevolgd
Inhoudsindicatie
HR verklaart verdachte, gelet op art. 78.5 RO jo. Art 427 Sv, n-o in zijn beroep.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.172 tekens)
21 januari 2014
Strafkamer
nr. 13/02391
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 februari 2012, nummer 20/000392-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Blijkens de stukken is het procesverloop in deze zaak als volgt geweest:
(i) de verdachte is bij arrest van het Hof van 14 februari 2012 tot straf veroordeeld;
(ii) de verdachte heeft op 16 februari 2012 door een advocaat beroep in cassatie doen instellen tegen dit arrest;
(iii) dit cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 23 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen middelen van cassatie waren voorgesteld;
(iv) de verdachte heeft op 20 december 2012 op de voet van art. 451a Sv het onderhavige beroep in cassatie ingesteld tegen voormeld arrest van het Hof;
(v) namens de verdachte zijn op 5 juli 2013 bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
2.2.
Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, kan de verdachte - gezien art. 78, vijfde lid, RO in verbinding met art. 427 Sv - niet worden ontvangen in het onderhavige cassatieberoep.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2014.
Strafkamer
nr. 13/02391
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 februari 2012, nummer 20/000392-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Blijkens de stukken is het procesverloop in deze zaak als volgt geweest:
(i) de verdachte is bij arrest van het Hof van 14 februari 2012 tot straf veroordeeld;
(ii) de verdachte heeft op 16 februari 2012 door een advocaat beroep in cassatie doen instellen tegen dit arrest;
(iii) dit cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 23 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen middelen van cassatie waren voorgesteld;
(iv) de verdachte heeft op 20 december 2012 op de voet van art. 451a Sv het onderhavige beroep in cassatie ingesteld tegen voormeld arrest van het Hof;
(v) namens de verdachte zijn op 5 juli 2013 bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
2.2.
Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, kan de verdachte - gezien art. 78, vijfde lid, RO in verbinding met art. 427 Sv - niet worden ontvangen in het onderhavige cassatieberoep.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2014.