Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2013:BZ8173

2013-04-23 Strafrecht 12/05977 U
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2013-04-23
Publicatiedatum
2013-06-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
12/05977 U
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJB 2013/1270 | RvdW 2013/646 | NJ 2013/384 met annotatie van J.M. Reijntjes | SR-Updates.nl 2013-0202

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Uitlevering. Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep o.g.v. art. 80a RO. De middelen gaan zonder opgave van redenen voorbij aan de vaste rechtspraak van de HR m.b.t. de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen in HR LJN BX0146, rov. 2.3.1. is overwogen omtrent de toepassing van art. 80a RO indien cassatieklachten blijk geven van miskenning van vaste rechtspraak, is de HR van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.394 tekens)
23 april 2013
Strafkamer
nr. S 12/05977 U
SG/CB


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest


op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2012, nummer RK 12/5212, op een verzoek van de Republiek Suriname tot uitlevering van:
[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.


1. Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.


2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep


2.1. De middelen gaan zonder opgave van gronden voorbij aan de vaste rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister
(a) in het in art. 9, eerste lid onder a en tweede lid, van de Uitleveringswet bedoelde geval dat in Nederland een strafvervolging gaande is ter zake van feiten die ook in het verzoek tot uitlevering zijn betrokken (vgl. HR 3 februari 1981, LJN AB8263, NJ 1981/318, HR 25 juli 2000, LJN ZD1984 en HR 9 december 2008, LJN BG4204), en
(b) in het geval dat een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op fundamentele, in art. 5 EVRM gewaarborgde rechten (vgl. HR 25 mei 2004, LJN AO8387 NJ 2005/243).


2.2. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen in HR 11 september 2012, LJN BX0146, rov. 2.3.1, is overwogen omtrent de toepassing van art. 80a RO indien de cassatieklachten blijk geven van miskenning van vaste rechtspraak, is de Hoge Raad van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in het bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 23 april 2013.