Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:BZ5960
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2013:BZ5960 → ECLI:NL:PHR:2013:BZ5960
Inhoudsindicatie
Bevestiging van een ontoereikend gemotiveerd vonnis. Nu de bewezenverklaring v.zv. inhoudende dat verdachte zich “in de periode van X t/m Y” goederen heeft toegeëigend niet kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, had het Hof het vonnis niet mogen bevestigen zonder de gronden aan te vullen. Opmerking verdient dat in gevallen als het onderhavige waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ttz. - waaronder begrepen de inhoud van aldaar voorgehouden stukken alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering. Art.. 81.1 RO of - indien het beroep uitsluitend deze klacht bevat - art. 80a RO kan in dergelijke gevallen worden toegepast.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (48)
- ECLI:NL:PHR:2026:665 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:816 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:894 Parket bij de Hoge Raad 26-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2023:1189 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1189 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1189 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1071 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:555 Parket bij de Hoge Raad 06-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:921 Parket bij de Hoge Raad 18-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:725 Parket bij de Hoge Raad 06-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1205 Parket bij de Hoge Raad 21-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1027 Parket bij de Hoge Raad 02-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:656 Parket bij de Hoge Raad 29-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1271 Parket bij de Hoge Raad 15-12-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1715 Hoge Raad 03-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:888 Parket bij de Hoge Raad 06-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1135 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1136 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:75 Parket bij de Hoge Raad 04-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1088 Parket bij de Hoge Raad 29-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:940 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:711 Parket bij de Hoge Raad 02-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1164 Parket bij de Hoge Raad 04-09-2018
- ECLI:NL:HR:2018:1053 Hoge Raad 03-07-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:544 Parket bij de Hoge Raad 05-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:441 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:508 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:882 Parket bij de Hoge Raad 04-07-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:541 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:213 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1489 Parket bij de Hoge Raad 29-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1284 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1043 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:887 Parket bij de Hoge Raad 14-06-2016
- ECLI:NL:HR:2016:1005 Hoge Raad 07-06-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:138 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:2678 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:1999 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:1367 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:1264 Parket bij de Hoge Raad 19-05-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:977 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2015
- ECLI:NL:HR:2015:202 Hoge Raad 03-02-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:2447 Parket bij de Hoge Raad 04-11-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1881 Parket bij de Hoge Raad 02-09-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:507 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:155 Parket bij de Hoge Raad 07-01-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:2199 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2013
- ECLI:NL:PHR:2013:1852 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2013
Volledige tekst
Volledige tekst (4.559 tekens)
Strafkamer
nr. S 12/00573 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 december 2011, nummer 22/001982-11, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.
1. Geding in cassatie
Het beroep - dat blijkens de daarvan opgemaakte akte niet is gericht tegen de beslissingen ter zake van feit 2 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de voor dat feit opgelegde straf, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt over de bevestiging door het Hof van het vonnis van de Kinderrechter, nu in dat vonnis de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1. Het Hof heeft het vonnis van de Kinderrechter in de Rechtbank Rotterdam van 4 april 2011 bevestigd. Ten laste van de verdachte heeft de Kinderrechter onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 8 oktober 2010 tot en met 12 oktober 2010 te Rotterdam, opzettelijk een ING bankpas (op naam van [betrokkene 1]) en een identiteitskaart (op naam van [betrokkene 1]), toebehorende aan [betrokkene 1], welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten door vinding, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."
2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 zijn weergegeven.
2.3. Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte zich "in de periode van 8 oktober 2010 tot en met 12 oktober 2010" goederen heeft toegeëigend niet kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is het vonnis van de Kinderrechter wat betreft de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Dit brengt mee dat het Hof het vonnis niet had mogen bevestigen zonder de gronden aan te vullen. Het middel is terecht voorgesteld.
2.4. Opmerking verdient dat in gevallen als het onderhavige waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering. In dergelijke gevallen zal zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO kunnen worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO.
3. Beoordeling van het derde middel
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het vonnis van de Kinderrechter heeft bevestigd ten aanzien van de beslissingen ter zake van feit 2. Nu het middel zich richt tegen beslissingen die blijkens de akte van cassatie van het beroep zijn uitgezonderd, dient het onbesproken te blijven.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft het onder 1 tenlastegelegde op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, J. Wortel, N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 2 april 2013.