Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:969
2013-10-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
13/00734
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2013:969 → ECLI:NL:GHSGR:2012:5238 overig
Inhoudsindicatie
Art. 6:2 en 4:17 Awb. Is sprake van het niet tijdig nemen van een besluit als het tijdig aan de belanghebbende is verzonden, maar niet aan zijn gemachtigde?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2006:AZ4416 Hoge Raad 15-12-2006
Geciteerd door (68)
- ECLI:NL:PHR:2026:716 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5369 Rechtbank Gelderland 08-07-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3989 Rechtbank Gelderland 20-05-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1799 Rechtbank Midden-Nederland 22-04-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:1685 Rechtbank Rotterdam 12-02-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:86 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2026
- ECLI:NL:RBROT:2025:12750 Rechtbank Rotterdam 04-11-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12952 Rechtbank Rotterdam 03-11-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1374 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1373 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1376 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1377 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1375 Gerechtshof Den Haag 26-06-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:3191 Rechtbank Amsterdam 15-05-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:5069 Rechtbank Rotterdam 29-04-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:958 Gerechtshof Amsterdam 08-04-2025
- ECLI:NL:RBROT:2024:12676 Rechtbank Rotterdam 18-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1965 Centrale Raad van Beroep 15-10-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:8126 Rechtbank Rotterdam 30-08-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:2895 Rechtbank Amsterdam 15-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:873 Rechtbank Den Haag 29-01-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1247 Gerechtshof Amsterdam 21-02-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:1151 Rechtbank Rotterdam 21-02-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2022:6263 Rechtbank Gelderland 08-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2116 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-04-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:841 Rechtbank Rotterdam 09-02-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:754 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6014 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3510 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-07-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:2722 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:4778 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-05-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2021:1292 Rechtbank Overijssel 26-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:11719 Rechtbank Den Haag 09-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:4498 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-06-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1236 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-03-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:731 Rechtbank Den Haag 27-01-2020
- ECLI:NL:CRVB:2019:4002 Centrale Raad van Beroep 10-12-2019
- ECLI:NL:RBZWB:2019:6112 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-11-2019
- ECLI:NL:CBB:2019:179 College van Beroep voor het bedrijfsleven 23-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3508 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:1192 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-02-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4633 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-11-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3136 Gerechtshof Amsterdam 21-08-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:778 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5175 Gerechtshof Amsterdam 14-12-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5175 Gerechtshof Amsterdam 14-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:939 Parket bij de Hoge Raad 15-09-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:5254 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-06-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1739 Centrale Raad van Beroep 09-05-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:1198 Centrale Raad van Beroep 29-03-2017
- ECLI:NL:RBROT:2017:2073 Rechtbank Rotterdam 20-03-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:911 Centrale Raad van Beroep 07-03-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2017:4381 Rechtbank Noord-Holland 10-02-2017
- ECLI:NL:CRVB:2016:4813 Centrale Raad van Beroep 13-12-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:4072 Gerechtshof Amsterdam 11-10-2016
- ECLI:NL:RVS:2016:2098 Raad van State 27-07-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:4926 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:4928 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:4974 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-06-2016
- ECLI:NL:RBNHO:2016:2348 Rechtbank Noord-Holland 22-02-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.328 tekens)
25 oktober 2013
nr. 13/00734
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 18 december 2012, nr. BK-11/00924, betreffende een beschikking op een verzoek om toekenning van een dwangsom.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur vernietigd. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft het verzoek bij beschikking afgewezen.
Belanghebbende is wegens het uitblijven van een uitspraak op het door hem tegen de boete gemaakte bezwaar en de afwijzing van het verzoek om een dwangsom in beroep gekomen bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage. De Rechtbank (nr. AWB 11/4532) heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de afwijzende beschikking van de Inspecteur inzake het verzoek om toekenning van een dwangsom.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3Beoordeling van de klachten
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Tegelijk met de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd (hierna: de boete).
3.1.2.
De gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de boete.
3.1.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 29 januari 2001 is de Inspecteur volledig aan het bezwaar tegemoetgekomen door de boete te verminderen tot nihil. De uitspraak is naar belanghebbende gestuurd. Dit is gebeurd vóór het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen de Inspecteur uitspraak op het bezwaar moest doen.
3.1.4.
De uitspraak op bezwaar is in strijd met artikel 6:17 Awb niet naar de gemachtigde gestuurd.
3.1.5.
Bij brief gedagtekend 18 februari 2011 heeft de gemachtigde de Inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. Na ontvangst van deze ingebrekestelling heeft de Inspecteur de uitspraak op bezwaar niet binnen veertien dagen alsnog aan de gemachtigde toegestuurd. De gemachtigde heeft pas op 31 mei 2011 een kopie van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur ontvangen.
3.1.6.
Belanghebbende heeft bij brief van 20 mei 2011 beroep bij de Rechtbank ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en daarbij verzocht om toekenning van een dwangsom.
3.2.1.
Het Hof heeft evenals de Rechtbank beslist dat geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb, en dat het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk is. Het heeft daartoe overwogen dat de uitspraak op bezwaar als gevolg van de toezending aan belanghebbende bekend is gemaakt en in werking is getreden.
3.2.2.
Daarvan uitgaande heeft het Hof verder geoordeeld dat het verzoek om toekenning van een dwangsom moet worden afgewezen.
3.2.3.
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg.
3.3.1.
Voor zover de klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 vermelde oordelen van het Hof heeft het volgende te gelden.
3.3.2.
In de Awb is geregeld binnen welke termijn een bestuursorgaan dient te beslissen op een bezwaarschrift. Deze termijn en ook de andere termijnen waarbinnen een bestuursorgaan besluiten moet nemen, beschermen burgers tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid en verschaffen tevens rechtszekerheid, omdat burgers zo weten binnen welke termijn zij duidelijkheid krijgen over het standpunt van de overheid (vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 3, blz. 1).
Met betrekking tot de rechtsingang wegens het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, is in de parlementaire toelichting het volgende opgemerkt:
“Het resultaat van dit stelsel voor de gevallen waarin een specifieke termijn ontbreekt is, dat de burger steeds na acht weken weet waar hij aan toe is. Hij moet dan immers of een beschikking op zijn aanvraag hebben gekregen, of een mededeling van het tijdstip waarop die te verwachten is. Heeft hij nog niets ontvangen, dan staat in ieder geval vast dat het bestuursorgaan in verzuim is.” (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 106).
3.3.3.
Hieruit volgt dat de bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit dient te nemen, (mede) ertoe strekken te waarborgen dat belanghebbenden binnen de in het desbetreffende geval geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming, en bij voorkeur over de inhoud daarvan.
3.3.4.
In het onderhavige geval is het desbetreffende besluit, de uitspraak op het bezwaar, binnen de daarvoor geldende termijn genomen en vervolgens aan belanghebbende gezonden. Aangezien belanghebbende het tegendeel niet heeft gesteld, moet worden aangenomen dat die uitspraak hem heeft bereikt (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112). Dit een en ander houdt in dat belanghebbende binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn kennis heeft genomen, althans kennis heeft kunnen nemen, van de beslissing van de Inspecteur om de boetebeschikking te vernietigen.
3.3.5.
Onder de hiervoor in 3.3.4 omschreven omstandigheden is voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn en heeft het Hof daarom terecht geoordeeld dat geen beroep openstond wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van belanghebbende, en dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. Anders dan in de klachten wordt aangevoerd doet daaraan niet af dat de uitspraak op bezwaar in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 Awb niet is gezonden aan de gemachtigde, en daardoor niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:17 Awb strekt tot bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende; dat is van een andere orde dan de hiervoor in 3.3.3 omschreven strekking van de bepalingen inzake het tijdig beslissen, die ziet op zekerheid omtrent de inhoudelijke positie van de belanghebbende tegenover het bestuursorgaan. De klachten falen derhalve in zoverre.
3.4.
Ook voor zover het de proceskostenvergoeding betreft kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013.
nr. 13/00734
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 18 december 2012, nr. BK-11/00924, betreffende een beschikking op een verzoek om toekenning van een dwangsom.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur vernietigd. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft het verzoek bij beschikking afgewezen.
Belanghebbende is wegens het uitblijven van een uitspraak op het door hem tegen de boete gemaakte bezwaar en de afwijzing van het verzoek om een dwangsom in beroep gekomen bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage. De Rechtbank (nr. AWB 11/4532) heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de afwijzende beschikking van de Inspecteur inzake het verzoek om toekenning van een dwangsom.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3Beoordeling van de klachten
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Tegelijk met de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd (hierna: de boete).
3.1.2.
De gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de boete.
3.1.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 29 januari 2001 is de Inspecteur volledig aan het bezwaar tegemoetgekomen door de boete te verminderen tot nihil. De uitspraak is naar belanghebbende gestuurd. Dit is gebeurd vóór het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen de Inspecteur uitspraak op het bezwaar moest doen.
3.1.4.
De uitspraak op bezwaar is in strijd met artikel 6:17 Awb niet naar de gemachtigde gestuurd.
3.1.5.
Bij brief gedagtekend 18 februari 2011 heeft de gemachtigde de Inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. Na ontvangst van deze ingebrekestelling heeft de Inspecteur de uitspraak op bezwaar niet binnen veertien dagen alsnog aan de gemachtigde toegestuurd. De gemachtigde heeft pas op 31 mei 2011 een kopie van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur ontvangen.
3.1.6.
Belanghebbende heeft bij brief van 20 mei 2011 beroep bij de Rechtbank ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en daarbij verzocht om toekenning van een dwangsom.
3.2.1.
Het Hof heeft evenals de Rechtbank beslist dat geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb, en dat het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit daarom niet-ontvankelijk is. Het heeft daartoe overwogen dat de uitspraak op bezwaar als gevolg van de toezending aan belanghebbende bekend is gemaakt en in werking is getreden.
3.2.2.
Daarvan uitgaande heeft het Hof verder geoordeeld dat het verzoek om toekenning van een dwangsom moet worden afgewezen.
3.2.3.
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg.
3.3.1.
Voor zover de klachten zijn gericht tegen de hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 vermelde oordelen van het Hof heeft het volgende te gelden.
3.3.2.
In de Awb is geregeld binnen welke termijn een bestuursorgaan dient te beslissen op een bezwaarschrift. Deze termijn en ook de andere termijnen waarbinnen een bestuursorgaan besluiten moet nemen, beschermen burgers tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid en verschaffen tevens rechtszekerheid, omdat burgers zo weten binnen welke termijn zij duidelijkheid krijgen over het standpunt van de overheid (vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 3, blz. 1).
Met betrekking tot de rechtsingang wegens het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag, is in de parlementaire toelichting het volgende opgemerkt:
“Het resultaat van dit stelsel voor de gevallen waarin een specifieke termijn ontbreekt is, dat de burger steeds na acht weken weet waar hij aan toe is. Hij moet dan immers of een beschikking op zijn aanvraag hebben gekregen, of een mededeling van het tijdstip waarop die te verwachten is. Heeft hij nog niets ontvangen, dan staat in ieder geval vast dat het bestuursorgaan in verzuim is.” (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 106).
3.3.3.
Hieruit volgt dat de bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit dient te nemen, (mede) ertoe strekken te waarborgen dat belanghebbenden binnen de in het desbetreffende geval geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming, en bij voorkeur over de inhoud daarvan.
3.3.4.
In het onderhavige geval is het desbetreffende besluit, de uitspraak op het bezwaar, binnen de daarvoor geldende termijn genomen en vervolgens aan belanghebbende gezonden. Aangezien belanghebbende het tegendeel niet heeft gesteld, moet worden aangenomen dat die uitspraak hem heeft bereikt (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112). Dit een en ander houdt in dat belanghebbende binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn kennis heeft genomen, althans kennis heeft kunnen nemen, van de beslissing van de Inspecteur om de boetebeschikking te vernietigen.
3.3.5.
Onder de hiervoor in 3.3.4 omschreven omstandigheden is voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn en heeft het Hof daarom terecht geoordeeld dat geen beroep openstond wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van belanghebbende, en dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. Anders dan in de klachten wordt aangevoerd doet daaraan niet af dat de uitspraak op bezwaar in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 Awb niet is gezonden aan de gemachtigde, en daardoor niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:17 Awb strekt tot bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende; dat is van een andere orde dan de hiervoor in 3.3.3 omschreven strekking van de bepalingen inzake het tijdig beslissen, die ziet op zekerheid omtrent de inhoudelijke positie van de belanghebbende tegenover het bestuursorgaan. De klachten falen derhalve in zoverre.
3.4.
Ook voor zover het de proceskostenvergoeding betreft kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013.