Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:862
2013-10-04
Bestuursrecht; Belastingrecht
13/01325
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2013:862 → ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2161 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2012:BX9203 Hoge Raad 05-10-2012
Geciteerd door (5)
- ECLI:NL:CRVB:2021:1772 Centrale Raad van Beroep 16-07-2021
- ECLI:NL:CRVB:2016:1225 Centrale Raad van Beroep 01-04-2016
- ECLI:NL:CRVB:2015:4720 Centrale Raad van Beroep 22-12-2015
- ECLI:NL:CRVB:2014:1151 Centrale Raad van Beroep 04-04-2014
- ECLI:NL:CRVB:2014:228 Centrale Raad van Beroep 24-01-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (1.948 tekens)
4 oktober 2013
nr. 13/01325
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2013, nr. 10/4382 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 09/8286 AOW) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW).
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld en daarbij acht middelen voorgesteld.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Ingevolge artikel 53, lid 1, van de AOW kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 en de op die artikelen berustende bepalingen.
2.2.
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen – voor zover zij al zijn voorgesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de hiervoor in 2.1. vermelde bepalingen – niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 5 oktober 2012, nr. 12/01979, ECLI:NL:HR:2012:BX9203, BNB 2012/308).
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2013.
nr. 13/01325
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2013, nr. 10/4382 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 09/8286 AOW) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW).
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld en daarbij acht middelen voorgesteld.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Ingevolge artikel 53, lid 1, van de AOW kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 en de op die artikelen berustende bepalingen.
2.2.
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen – voor zover zij al zijn voorgesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de hiervoor in 2.1. vermelde bepalingen – niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 5 oktober 2012, nr. 12/01979, ECLI:NL:HR:2012:BX9203, BNB 2012/308).
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2013.