Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:2001
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2013:2001 → ECLI:NL:PHR:2013:1958 gevolgd
Inhoudsindicatie
Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:150 m.b.t. verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Uit het pv ttz in h.b. noch uit de aan dat pv ttz gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens verdachte is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering evenmin rechtstreeks voortvloeit dat aannemelijk is dat het geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen i.c. n.v.t. zijn en dat het middel, dat blijkens de toelichting steunt op de opvatting dat het voorhanden hebben van enig uit misdrijf verkregen goed gericht moet zijn op het uit het zicht houden van dat voorwerp voor politie en justitie, faalt nu die opvatting geen steun vindt in het recht. ’s Hofs oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2013:150 Hoge Raad 02-07-2013
Geciteerd door (158)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:2375 Rechtbank Overijssel 22-04-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:2270 Rechtbank Overijssel 22-04-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1659 Rechtbank Noord-Nederland 06-05-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1660 Rechtbank Noord-Nederland 06-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1137 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1243 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1242 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1077 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1079 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1078 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1335 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4199 Rechtbank Gelderland 04-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:652 Parket bij de Hoge Raad 02-07-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:2264 Rechtbank Noord-Nederland 11-06-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2957 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2954 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2947 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2949 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2956 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2948 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2955 Rechtbank Overijssel 05-06-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:2556 Rechtbank Gelderland 14-03-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:2556 Rechtbank Gelderland 14-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:214 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:686 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:214 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:212 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:216 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:216 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:217 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:215 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:213 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:954 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3869 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:747 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2023
- ECLI:NL:OGEAM:2022:129 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 21-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:636 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:203 Gerechtshof Den Haag 16-02-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:191 Gerechtshof Den Haag 01-02-2022
- ECLI:NL:RBOVE:2021:4857 Rechtbank Overijssel 27-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1033 Parket bij de Hoge Raad 02-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1033 Parket bij de Hoge Raad 02-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1033 Parket bij de Hoge Raad 02-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1103 Parket bij de Hoge Raad 31-08-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2021:1080 Rechtbank Overijssel 15-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:29 Parket bij de Hoge Raad 12-01-2021
- ECLI:NL:RBOVE:2020:2959 Rechtbank Overijssel 10-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:193 Parket bij de Hoge Raad 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:148 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1342 Parket bij de Hoge Raad 17-12-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2019:3019 Rechtbank Overijssel 22-08-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2019:3036 Rechtbank Overijssel 22-08-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2019:3057 Rechtbank Overijssel 22-08-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2019:2458 Rechtbank Overijssel 18-07-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2019:2465 Rechtbank Overijssel 18-07-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2019:2467 Rechtbank Overijssel 18-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:278 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:3719 Rechtbank Amsterdam 15-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1334 Parket bij de Hoge Raad 27-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1334 Parket bij de Hoge Raad 27-11-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.556 tekens)
Strafkamer
nr. 11/03798
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 juli 2011, nummer 23/004629-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal N. Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen ten aanzien van de straf, tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het vierde middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat niet elk "voorhanden hebben" van een voorwerp een gedraging inhoudt die als een vorm van witwassen kan worden gekwalificeerd, althans dat het Hof zijn oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
2.2.
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij op 20 juli 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van EURO 10.725, voorhanden heeft gehad, terwijl hij (de Hoge Raad leest:) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."
2.3.
Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.
Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".
Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.
Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.)
2.4.1.
Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.
2.4.2.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens de verdachte is aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, zoals is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8, evenmin rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn en dat het middel, dat blijkens de toelichting steunt op de opvatting dat het voorhanden hebben van enig uit misdrijf verkregen goed gericht moet zijn op het uit het zicht houden van dat voorwerp voor politie en justitie, faalt nu die opvatting geen steun vindt in het recht.
2.4.3.
Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5.
Het middel faalt derhalve.
3Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.
5Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en twee weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2013.