Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2013:1559

2013-12-03 Strafrecht 11/02859
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2013-12-03
Publicatiedatum
2013-12-03
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
11/02859
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2014/18 | SR-Updates.nl 2013-0471 | NbSr 2014/6 met annotatie van mr. B.J. Schmitz

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Profijtontneming. V.zv. het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de bedragen die voorwerp vormden van het bewezenverklaarde misdrijf “medeplegen van een gewoonte maken van witwassen” reeds daardoor w.v.v. voordeel vormden, is dat oordeel niet juist. Dat betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen d.m.v. of uit de baten van dat feit is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (20)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.898 tekens)
3 december 2013
Strafkamer
nr. 11/02859 P

Hoge Raad der Nederlanden


Arrest



op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 juni 2011, nummer 22/000458-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:




[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949.





1Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.





2Beoordeling van het eerste en het tweede middel


2.1.

De middelen bevatten beide onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat het door de betrokkene en zijn mededaders omgewisselde geld met een totaalwaarde van ongeveer € 1.070.758,- dient te worden aangemerkt als de vrucht van het in de strafzaak onder 4 bewezenverklaarde "medeplegen van een gewoonte maken van witwassen".




2.2.

In de bestreden uitspraak heeft het Hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 1.070.758,- en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van € 237.500,- te betalen.




2.3.

Het Hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontleend aan de inhoud van de bewijsmiddelen vermeld in de bijlage bij het arrest. Het bestreden arrest houdt voorts in dat in de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak de betrokkene is veroordeeld ter zake van 4. 'medeplegen van een gewoonte maken van witwassen', dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de betrokkene door middel van of uit de baten van dat feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en dat het door de betrokkene en zijn mededaders omgewisselde geld, met een totaalwaarde van € 1.070.758,-, dient te worden aangemerkt als de vrucht van het in de strafzaak onder 4. bewezenverklaarde.




2.4.
Voor zover het Hof aldus als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de bedragen die voorwerp vormden van het bewezenverklaarde misdrijf "medeplegen van een gewoonte maken van witwassen" reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden, is dat oordeel niet juist. Dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.



2.5.
De klacht slaagt.





3Slotsom


Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven, en als volgt moet worden beslist.





4Beslissing


De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.



Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2013.