Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:1393
2013-11-22
Civiel recht
12/04506
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2013:1393 → ECLI:NL:PHR:2013:786 gevolgd
- verwijzing ECLI:NL:GHAMS:2014:3118 → ECLI:NL:HR:2013:1393
Inhoudsindicatie
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap, gelijk aandeel echtgenoten, art. 1:100 BW. Afwijking hoofdregel, onaanvaardbaarheid verdeling bij helfte, zeer uitzonderlijke omstandigheden, maatstaven van redelijkheid en billijkheid (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 en HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR2013:CA3748).
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2012:BV1749 Hoge Raad 30-03-2012
Geciteerd door (47)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2592 Gerechtshof Den Haag 30-06-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14004 Rechtbank Noord-Holland 11-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8911 Rechtbank Den Haag 21-05-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:2759 Rechtbank Gelderland 10-04-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:346 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3992 Rechtbank Noord-Nederland 31-07-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:1398 Rechtbank Oost-Brabant 03-04-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3063 Gerechtshof Amsterdam 12-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:387 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4505 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-12-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:3860 Rechtbank Amsterdam 29-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2018 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1947 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:2435 Rechtbank Rotterdam 30-03-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1183 Rechtbank Amsterdam 16-03-2022
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:257 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 25-02-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:579 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-02-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3245 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3245 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2393 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2248 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2260 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1687 Gerechtshof Amsterdam 08-06-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1451 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-05-2021
- ECLI:NL:RBLIM:2021:1530 Rechtbank Limburg 10-02-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1720 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-05-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1090 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:275 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-01-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:10982 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4031 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-10-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:5814 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1475 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-04-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:923 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-03-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:434 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-02-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4949 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-11-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:9664 Rechtbank Den Haag 31-07-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-07-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2693 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1562 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-04-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1562 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-04-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5470 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3154 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-07-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:286 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:42 Parket bij de Hoge Raad 03-02-2017
- ECLI:NL:HR:2016:723 Hoge Raad 22-04-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:2478 Parket bij de Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:2110 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.094 tekens)
22 november 2013
Eerste Kamer
nr. 12/04506
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de man],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. A. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 217753/HA ZA 04-1588 van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2005, 21 juni 2006 en 29 april 2009;
b. de arresten in de zaak 200.038.348 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 16 augustus 2011 en 27 maart 2012.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 27 maart 2012 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de man mede door mr. S. Kousedghi, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 20 september 2013 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
Partijen waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Tussen hen is bij beschikking van 11 december 2002 echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 januari 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Het gaat in de onderhavige procedure om de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (hierna: gemeenschap). In hoger beroep is het hof uitgegaan van 1 december 2000 als de peildatum voor de vaststelling van de omvang en waardering van de gemeenschap. Met betrekking tot de toedeling van de op die datum bestaande schulden van de door de man gedreven eenmanszaak overwoog het hof in rov. 17:
“In het onderhavige geval acht het hof het redelijk en billijk dat indien alle activa behorende tot [naam eenmanszaak] aan de man worden toegedeeld, hij gehouden is alle schulden met betrekking tot de exploitatie van deze onderneming als eigen schulden te voldoen en de vrouw ter zake die schulden te vrijwaren. Het hof acht dit redelijk aangezien de man met de activa gedurende een reeks van jaren een kasstroom heeft kunnen genereren nu hij zelf heeft gesteld dat hij de onderneming heeft voortgezet.”.
3.3.1
Tegen dit oordeel richten zich de klachten van onderdeel 2.1-(1). Zij nemen tot uitgangspunt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.3.2
Bij de beoordeling van de klachten wordt het volgende vooropgesteld. Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten in beginsel een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Afgezien van de in de wet reeds genoemde gevallen, is een afwijking van deze regel niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 en HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR2013:CA3748).
3.4
De klachten slagen. Uit de hiervoor in 3.2 aangehaalde overweging blijkt niet dat het hof de hiervoor in 3.3.2 vermelde maatstaf voor afwijking van de verdeling bij helfte in acht heeft genomen, zodat het hetzij van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, hetzij zijn beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Dit brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 27 maart 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 22 november 2013.
Eerste Kamer
nr. 12/04506
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de man],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. A. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 217753/HA ZA 04-1588 van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2005, 21 juni 2006 en 29 april 2009;
b. de arresten in de zaak 200.038.348 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 16 augustus 2011 en 27 maart 2012.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 27 maart 2012 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de man mede door mr. S. Kousedghi, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 20 september 2013 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
Partijen waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Tussen hen is bij beschikking van 11 december 2002 echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 januari 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Het gaat in de onderhavige procedure om de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (hierna: gemeenschap). In hoger beroep is het hof uitgegaan van 1 december 2000 als de peildatum voor de vaststelling van de omvang en waardering van de gemeenschap. Met betrekking tot de toedeling van de op die datum bestaande schulden van de door de man gedreven eenmanszaak overwoog het hof in rov. 17:
“In het onderhavige geval acht het hof het redelijk en billijk dat indien alle activa behorende tot [naam eenmanszaak] aan de man worden toegedeeld, hij gehouden is alle schulden met betrekking tot de exploitatie van deze onderneming als eigen schulden te voldoen en de vrouw ter zake die schulden te vrijwaren. Het hof acht dit redelijk aangezien de man met de activa gedurende een reeks van jaren een kasstroom heeft kunnen genereren nu hij zelf heeft gesteld dat hij de onderneming heeft voortgezet.”.
3.3.1
Tegen dit oordeel richten zich de klachten van onderdeel 2.1-(1). Zij nemen tot uitgangspunt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.3.2
Bij de beoordeling van de klachten wordt het volgende vooropgesteld. Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten in beginsel een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Afgezien van de in de wet reeds genoemde gevallen, is een afwijking van deze regel niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 en HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR2013:CA3748).
3.4
De klachten slagen. Uit de hiervoor in 3.2 aangehaalde overweging blijkt niet dat het hof de hiervoor in 3.3.2 vermelde maatstaf voor afwijking van de verdeling bij helfte in acht heeft genomen, zodat het hetzij van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, hetzij zijn beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Dit brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 27 maart 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 22 november 2013.