Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2592

2026-06-30 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.364.797/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.364.797/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Partijen hebben na het huwelijk afzonderlijk van elkaar aanspraak gemaakt op compensatie van de Dienst Toeslagen voor gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire en deze ook gekregen. Vallen deze compensaties in de ontbonden wettelijke algehele gemeenschap van goederen (oud)? En zo ja, is er aanleiding om af te wijken van de verdeling bij helfte?

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.957 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie


Zaaknummer hof : 200.364.797/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11629271 CV EXPL 25-1029





Arrest van 30 juni 2026




in de zaak van





[de vrouw]
,
wonend in [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Koçak, kantoorhoudend in Rotterdam,



tegen





[de man]
,
wonend in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.C. Göçmen, kantoorhoudend in Rotterdam.






1De zaak in het kort

1.1
Partijen hebben na het huwelijk afzonderlijk van elkaar aanspraak gemaakt op compensatie van de Dienst Toeslagen voor gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire en deze ook gekregen. Vallen deze compensaties in de ontbonden wettelijke algehele gemeenschap van goederen (oud) en zo ja, hoe moeten deze worden verdeeld?




2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 5 februari 2026, tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 november 2025 (hierna: het bestreden vonnis) ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het bestreden vonnis;


de memorie van antwoord van de man, tevens antwoordconclusie in het incident, met bijlagen.




2.2
Op 22 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.




3Feitelijke achtergrond

3.1
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 2010 tot [datum] 2018 in de (oude) wettelijke algehele gemeenschap van goederen zoals gold voor huwelijken die zijn gesloten voor 1 januari 2018. Zij zijn de ouders van vier kinderen die geboren zijn in 2010, 2012, 2014 en 2016.


3.2
De vrouw is bij brief van 16 oktober 2021 erkend als gedupeerde in het kader van de toeslagenaffaire en heeft rond 7 oktober 2021 een compensatie ontvangen van € 30.000,- van de Dienst Toeslagen. De man heeft op grond van de ex-toeslagpartnerregeling rond 8 november 2024 een compensatie ontvangen van € 10.000,- van de Dienst Toeslagen.




4Procedure bij de rechtbank

4.1
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 maart 2025 tot de dag der algehele voldoening. De proceskosten zijn aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.




5Vorderingen in hoger beroep

5.1
De vrouw is in hoger beroep gekomen en vordert in het incident dat het hof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis schorst. In de hoofdzaak vordert de vrouw om het bestreden vonnis te vernietigen en de geldvordering van de man alsnog af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide procedures.


5.2
De vrouw voert daartoe, kort weergeven, het volgende aan. De compensatie die zij heeft gekregen behoort niet tot enige vorm van te verdelen huwelijksvermogen, dan wel is de aanspraak van de man daarop in strijd met de redelijkheid en billijkheid dan wel leidt de veroordeling van de vrouw tot betaling van het bedrag van € 10.000,- tot een onaanvaardbaar en evident onbillijk resultaat. Voor zover er grond is voor toewijzing van enige vordering van de man, is er geen grond voor toekenning van de wettelijke rente over het door de man gevorderde bedrag.


5.3
De man voert verweer in het incident en de hoofdzaak en concludeert – kort gezegd – tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.




6Beoordeling in hoger beroep

6.1
In het echtscheidingsconvenant van [datum] 2018 hebben partijen onder meer het volgende bepaald:



“4.1 Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij nemen als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 10 juli 2018. (…) Al hetgeen door erfenis, legaat, schenking of anderszins vanaf deze peildatum verkregen mocht worden op persoonlijke titel, wordt zonder nadere verrekening toegedeeld aan de partij die begunstigde van het te ontvangen actief is.


(…)


Nagekomen baten en/of lasten



4.3.7.


Partijen verklaren dat behoudens de in dit artikel vermelde vermogensbestanddelen aan hen geen overige tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen bekend zijn. Onbekende baten zullen terstond na het bekend worden aan de andere partij worden gemeld ter nadere verdeling, zulks op straffe van de sanctie die de wet stelt in art. 3:194 lid 2 BW op verzwijging, zoekmaken of verborgen houden van gemeenschapsgoederen, zijnde dat zijn haar aandeel in dat goed aan de ander wordt verbeurd.


(…)”





6.1.1
Het hof overweegt als volgt. Aangezien de door partijen ontvangen compensaties zien op het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag ontvangen tijdens het huwelijk, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de aanspraak op de compensatie is ontstaan tijdens het huwelijk. Dat de compensatie pas drie jaar na de echtscheiding feitelijk door de vrouw is verkregen, maakt dit niet anders. De vrouw heeft ook in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de aanspraak op de door haar ontvangen compensatie is ontstaan na haar huwelijk. Dit betekent dat de compensatie die zij heeft ontvangen in beginsel onderdeel uitmaakt van de (inmiddels ontbonden) algehele gemeenschap van goederen.



6.1.2
Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de aanspraak aan haar verknocht is en daarom niet behoort tot de algehele gemeenschap van goederen. Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vraag of een goed op de voet van artikel 1:94 lid 3 (oud) BW op enige wijze aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De compensaties stonden weliswaar op naam van één van partijen, maar daarmee zijn zij niet hoogstpersoonlijk geworden. Het is in dit geval de bedoeling geweest van de wetgever dat het leed van het gezin, waarvan ook de man deel uitmaakte, wordt gecompenseerd. De aard van het goed verzet zich dus niet ertegen dat de aanspraak in de gemeenschap van goederen valt.


6.1.3
Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap in 2018 kon met de compensaties nog geen rekening worden gehouden omdat die pas daarna zijn verkregen, zodat het nagekomen baten als bedoeld in artikel 4.3.7 van het echtscheidingsconvenant zijn, die alsnog tussen partijen moeten worden verdeeld. De vrouw betoogt dat de € 30.000,- die zij heeft verkregen van de Dienst Toeslagen voor haar is en de € 10.000,- die de man heeft verkregen voor de man. Dit betoog slaagt niet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever ervan uit is gegaan dat de ouders de compensaties die hen als aanvragers afzonderlijk toekomen onderling verdelen. In totaal bedragen de nagekomen baten € 40.000,-. Ingevolge artikel 1:100 lid 1 (oud) BW hebben de ex-echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap, zodat de nagekomen baten in beginsel bij helfte dienen te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel kan slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1393). De vrouw heeft betoogd dat in dit geval sprake is van zulke zeer uitzonderlijke omstandigheden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat i. de compensatie ziet op haar persoonlijke leed en dat van de kinderen, ii. zij net schuldenvrij is, van een uitkering leeft op bijstandsniveau en door een verplichting tot betaling van de vordering van de man opnieuw in de financiële problemen zal geraken aangezien de compensatie gesoupeerd is en er geen sprake is van (ander) vermogen, iii. de man sinds de ontbinding van het huwelijk nimmer heeft bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de vier kinderen en iv. de man de compensatie van de Dienst Toeslagen voor één van de kinderen onrechtmatig heeft opgenomen van de bankrekening van dat kind. De man heeft daartegen ingebracht dat de persoonlijke en financiële omstandigheden van de vrouw geen rol spelen bij de beoordeling en dat hij ook schulden heeft afgelost.


6.1.4
Het hof is van oordeel dat de door de vrouw genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien voldoende zijn voor het oordeel dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan van het uitgangspunt ‘verdeling bij helfte’ dient te worden afgeweken. Het hof acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vrouw en de (vier) kinderen na jarenlang geconfronteerd te zijn geweest met de nasleep van de toeslagenaffaire en net hun leven weer een beetje op de rails hebbend, jaren na de echtscheiding in geval van honorering van de aanspraak van de man weer terug zullen vallen in armoede en schulden.


6.1.5
Dit betekent dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de inleidende vordering van de man, strekkende tot veroordeling van de vrouw om hem te betalen een bedrag van € 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente, alsnog zal afwijzen.



De incidentele vordering





6.2

Nu het hof heden in de hoofdzaak beslist, heeft de vrouw geen belang meer bij haar incidentele vordering. Het hof zal deze vordering daarom afwijzen.

Proceskosten




6.3
De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De man heeft gevorderd de vrouw te veroordelen in de proceskosten (het hof begrijpt:) in hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel om in procedures van familierechtelijke aard de proceskosten tussen partijen te compenseren. Het hof zal de vordering van de man in hoger beroep afwijzen.




7Beslissing
Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

- wijst af de inleidende vordering van de man, die inhoudt de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 10.000,- en de wettelijke rente;

- compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. Lückers, mr. I. Reijngoud en mr. E.B.J. van Elden, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.