Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:1361
2013-11-29
Bestuursrecht; Belastingrecht
12/04301
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2013:1361 → ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ0300 (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Inhoudsindicatie
Art. 8:73 Awb. Schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof had de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2011:BO5046 Hoge Raad 10-06-2011
- ECLI:NL:HR:2013:CA2313 Hoge Raad 07-06-2013
- ECLI:NL:HR:2011:BO5087 Hoge Raad 10-06-2011
- ECLI:NL:RVS:2008:BC7604 Raad van State 26-03-2008
Geciteerd door (94)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4307 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:4216 Rechtbank Midden-Nederland 04-08-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2001 Gerechtshof Amsterdam 24-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3863 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3677 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3684 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3683 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:483 Parket bij de Hoge Raad 22-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:484 Parket bij de Hoge Raad 22-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1102 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1104 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1105 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1103 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:345 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2024:10159 Rechtbank Limburg 17-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7655 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-11-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3363 Gerechtshof Amsterdam 08-10-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6146 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2517 Gerechtshof Amsterdam 04-07-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1947 Gerechtshof Amsterdam 20-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1524 Gerechtshof Amsterdam 04-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2861 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2675 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2610 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2691 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2278 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2173 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2172 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2169 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1505 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1504 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:366 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:468 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-01-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:139 Gerechtshof Den Haag 23-01-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:355 Gerechtshof Amsterdam 16-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:245 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:247 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8899 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13118 Rechtbank Noord-Holland 14-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8194 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2118 Gerechtshof Den Haag 17-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2119 Gerechtshof Den Haag 17-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:13855 Rechtbank Den Haag 13-09-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1765 Gerechtshof Den Haag 30-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:7361 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5282 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5271 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5077 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6614 Rechtbank Noord-Holland 11-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4515 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2523 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1786 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15641 Rechtbank Den Haag 30-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2193 Gerechtshof Den Haag 08-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3789 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (5.396 tekens)
29 november 2013
nr. 12/04301
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 juli 2012, nrs. BK-09/00600 en BK-09/00601, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 06/8290 IB/PVV en AWB 06/8292 IB/PVV) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2001 en 2003 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de door belanghebbende aangevoerde klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
3.1.
Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de zaak door de rechter. Het middel betoogt dat het Hof heeft verzuimd de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.
3.2.
Aangezien vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige beschikking tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan in totaal 4 jaar zijn verstreken en vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift tot de dag waarop het Hof uitspraak heeft gedaan in totaal 3 jaar en een maand zijn verstreken, bestond in beginsel aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van de daaraan toe te rekenen immateriële schade. In verband daarmee had het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onderdeel 3.3.5 en HR 7 juni 2013, nr. 12/03118, ECLI:NL:HR:2013:CA2313, BNB 2013/176, onderdeel 4). Dat heeft het Hof verzuimd. Het middel slaagt.
3.3.1.
Het middel betoogt verder dat er voor de Inspecteur geen mogelijkheid is geweest om erop te wijzen dat de thans door het Hof toegekende schadevergoeding meer bedraagt dan de belasting die op basis van de aangebrachte correcties meer verschuldigd is. Voor het geval daarop na verwijzing alsnog een beroep zou worden gedaan, verdient opmerking dat bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie HR 10 juni 2011, nr. 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop het geschil betrekking heeft.
3.3.2.
Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 maart 2008, nr. 200705993/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC7604).
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, en
wijst het geding terug naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.
nr. 12/04301
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 juli 2012, nrs. BK-09/00600 en BK-09/00601, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 06/8290 IB/PVV en AWB 06/8292 IB/PVV) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2001 en 2003 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de door belanghebbende aangevoerde klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
3.1.
Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de zaak door de rechter. Het middel betoogt dat het Hof heeft verzuimd de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.
3.2.
Aangezien vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige beschikking tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan in totaal 4 jaar zijn verstreken en vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift tot de dag waarop het Hof uitspraak heeft gedaan in totaal 3 jaar en een maand zijn verstreken, bestond in beginsel aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van de daaraan toe te rekenen immateriële schade. In verband daarmee had het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onderdeel 3.3.5 en HR 7 juni 2013, nr. 12/03118, ECLI:NL:HR:2013:CA2313, BNB 2013/176, onderdeel 4). Dat heeft het Hof verzuimd. Het middel slaagt.
3.3.1.
Het middel betoogt verder dat er voor de Inspecteur geen mogelijkheid is geweest om erop te wijzen dat de thans door het Hof toegekende schadevergoeding meer bedraagt dan de belasting die op basis van de aangebrachte correcties meer verschuldigd is. Voor het geval daarop na verwijzing alsnog een beroep zou worden gedaan, verdient opmerking dat bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie HR 10 juni 2011, nr. 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop het geschil betrekking heeft.
3.3.2.
Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 maart 2008, nr. 200705993/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC7604).
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, en
wijst het geding terug naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.