Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:1016
2013-11-01
Bestuursrecht; Belastingrecht
12/02791
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2013:1016 → ECLI:NL:GHAMS:2012:BW5424 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2013:1016 → ECLI:NL:PHR:2013:CA3901 gevolgd
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Art. 47 AWR. Belanghebbende hield in 2002 en 2003 vermoedelijk een rekening bij KB-Lux. De inspecteur mocht voor 2002 en 2003 gegevens daarover opvragen op straffe van omkering van de bewijslast.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (38)
- ECLI:NL:PHR:2020:534 Parket bij de Hoge Raad 27-05-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:582 Gerechtshof Den Haag 25-03-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:581 Gerechtshof Den Haag 25-03-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:579 Gerechtshof Den Haag 25-03-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:580 Gerechtshof Den Haag 25-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1439 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-04-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:9035 Rechtbank Den Haag 21-06-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1605 Gerechtshof Den Haag 04-05-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:1359 Rechtbank Den Haag 02-02-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2772 Gerechtshof Den Haag 16-09-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2771 Gerechtshof Den Haag 16-09-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2015:9576 Rechtbank Den Haag 23-06-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2015:7479 Rechtbank Den Haag 10-06-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2009 Gerechtshof Den Haag 10-06-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2008 Gerechtshof Den Haag 10-06-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:971 Gerechtshof Den Haag 08-04-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:974 Gerechtshof Den Haag 08-04-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:2568 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-03-2015
- ECLI:NL:GHARL:2014:10244 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-12-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2347 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2348 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2350 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2349 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:15637 Rechtbank Den Haag 13-11-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:15639 Rechtbank Den Haag 13-11-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:12582 Rechtbank Den Haag 30-09-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:12585 Rechtbank Den Haag 30-09-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:9667 Rechtbank Den Haag 24-07-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:9668 Rechtbank Den Haag 24-07-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:9669 Rechtbank Den Haag 24-07-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:9670 Rechtbank Den Haag 24-07-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:9671 Rechtbank Den Haag 24-07-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:6882 Rechtbank Den Haag 28-05-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:6883 Rechtbank Den Haag 28-05-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:1375 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-02-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:10311 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-02-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:10309 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-02-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:10305 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-02-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.731 tekens)
1 november 2013
nr. 12/02791
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z], België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 mei 2012, nrs. 10/00049, 10/00050, 10/00114 en 10/00115, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede boeten.
De aanslag voor het jaar 2002 en de daarbij gegeven boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur verminderd. De aanslag voor het jaar 2003 en de daarbij gegeven boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 07/616 en 07/2116) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen en de boeten verminderd.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd uitsluitend wat betreft de boetebeschikkingen, het beroep in zoverre gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur inzake de boetebeschikkingen vernietigd en de boetebeschikkingen vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 mei 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3Beoordeling van de middelen
3.1.1.
Op grond van een microfiche zijn belanghebbende en zijn echtgenote geïdentificeerd als rekeninghouders van bankrekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: de KB-Luxrekeningen) met saldi op 31 januari 1994 van in totaal ƒ 206.635,30. Belanghebbende ontkent rekeninghouder te zijn (geweest). In rechte is onherroepelijk komen vast te staan dat de Inspecteur over de jaren 1990 tot en met 2000 terecht de saldi van die rekeningen en de inkomsten daaruit in de belastingheffing heeft betrokken.
3.1.2.
De Inspecteur heeft belanghebbende ook voor de jaren 2002 en 2003 gevraagd om gegevens te verstrekken over (het verloop van) de KB-Luxrekeningen. Omdat belanghebbende die gegevens niet heeft verstrekt, zijn aanslagen IB/PVV voor de jaren 2002 en 2003 aan hem opgelegd waarbij geschatte bedragen tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen zijn gerekend.
3.1.3.
Het Hof heeft in onderdeel 4.2.2 van zijn uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur op grond van het vermoedelijke houderschap in het jaar 2000 aan belanghebbende mocht vragen gegevens te verstrekken over (het verloop van) de KB-Luxrekeningen met betrekking tot de jaren 2002 en 2003. Aangezien belanghebbende die gegevens niet heeft verstrekt, ondanks de verplichting daartoe ingevolge artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), vindt het bepaalde in artikel 27e AWR toepassing, aldus het Hof. Omdat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de correcties, zoals deze nader door de Inspecteur zijn berekend, te hoog zijn vastgesteld, heeft het Hof het beroep met betrekking tot de belasting ongegrond verklaard.
3.2.
Het vijfde middel komt vergeefs op tegen het hiervoor onder 3.1.3 weergegeven oordeel van het Hof. Het Hof is bij zijn oordeel kennelijk ervan uitgegaan dat belanghebbende niet alleen in het jaar 2000, maar ook in de jaren 2002 en 2003 vermoedelijk houder was van de KB‑Luxrekeningen. Dat oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft het Hof zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen dat de Inspecteur aan belanghebbende mocht vragen gegevens met betrekking tot die rekeningen te verstrekken met een beroep op het bepaalde in artikel 47 AWR, en dat, aangezien belanghebbende die inlichtingen niet heeft verstrekt, de bewijslast wordt omgekeerd als bedoeld in artikel 27e AWR.
Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd is voor de bevoegdheid van een inspecteur tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47 AWR in een geval als het onderhavige niet vereist dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de belanghebbende in de desbetreffende jaren nog over de rekening beschikte, maar is een redelijk vermoeden ter zake voldoende.
3.3.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2013.
nr. 12/02791
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z], België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 mei 2012, nrs. 10/00049, 10/00050, 10/00114 en 10/00115, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede boeten.
De aanslag voor het jaar 2002 en de daarbij gegeven boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur verminderd. De aanslag voor het jaar 2003 en de daarbij gegeven boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 07/616 en 07/2116) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen en de boeten verminderd.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd uitsluitend wat betreft de boetebeschikkingen, het beroep in zoverre gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur inzake de boetebeschikkingen vernietigd en de boetebeschikkingen vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 mei 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3Beoordeling van de middelen
3.1.1.
Op grond van een microfiche zijn belanghebbende en zijn echtgenote geïdentificeerd als rekeninghouders van bankrekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: de KB-Luxrekeningen) met saldi op 31 januari 1994 van in totaal ƒ 206.635,30. Belanghebbende ontkent rekeninghouder te zijn (geweest). In rechte is onherroepelijk komen vast te staan dat de Inspecteur over de jaren 1990 tot en met 2000 terecht de saldi van die rekeningen en de inkomsten daaruit in de belastingheffing heeft betrokken.
3.1.2.
De Inspecteur heeft belanghebbende ook voor de jaren 2002 en 2003 gevraagd om gegevens te verstrekken over (het verloop van) de KB-Luxrekeningen. Omdat belanghebbende die gegevens niet heeft verstrekt, zijn aanslagen IB/PVV voor de jaren 2002 en 2003 aan hem opgelegd waarbij geschatte bedragen tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen zijn gerekend.
3.1.3.
Het Hof heeft in onderdeel 4.2.2 van zijn uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur op grond van het vermoedelijke houderschap in het jaar 2000 aan belanghebbende mocht vragen gegevens te verstrekken over (het verloop van) de KB-Luxrekeningen met betrekking tot de jaren 2002 en 2003. Aangezien belanghebbende die gegevens niet heeft verstrekt, ondanks de verplichting daartoe ingevolge artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), vindt het bepaalde in artikel 27e AWR toepassing, aldus het Hof. Omdat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de correcties, zoals deze nader door de Inspecteur zijn berekend, te hoog zijn vastgesteld, heeft het Hof het beroep met betrekking tot de belasting ongegrond verklaard.
3.2.
Het vijfde middel komt vergeefs op tegen het hiervoor onder 3.1.3 weergegeven oordeel van het Hof. Het Hof is bij zijn oordeel kennelijk ervan uitgegaan dat belanghebbende niet alleen in het jaar 2000, maar ook in de jaren 2002 en 2003 vermoedelijk houder was van de KB‑Luxrekeningen. Dat oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft het Hof zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen dat de Inspecteur aan belanghebbende mocht vragen gegevens met betrekking tot die rekeningen te verstrekken met een beroep op het bepaalde in artikel 47 AWR, en dat, aangezien belanghebbende die inlichtingen niet heeft verstrekt, de bewijslast wordt omgekeerd als bedoeld in artikel 27e AWR.
Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd is voor de bevoegdheid van een inspecteur tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47 AWR in een geval als het onderhavige niet vereist dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de belanghebbende in de desbetreffende jaren nog over de rekening beschikte, maar is een redelijk vermoeden ter zake voldoende.
3.3.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2013.