Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2012:BW8348
2012-06-15
Bestuursrecht; Belastingrecht
11/03392
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2012:BW8348 → ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9592 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 6 wet IB 1964 en art. 3.8 Wet IB 2001. Paardenfokkerij vormt in dit geval geen onderneming.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (69)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2757 Gerechtshof Den Haag 18-08-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5255 Rechtbank Gelderland 03-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2042 Gerechtshof Den Haag 27-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2734 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3032 Rechtbank Gelderland 17-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 Gerechtshof Amsterdam 14-04-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:527 Gerechtshof Amsterdam 24-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27263 Rechtbank Den Haag 09-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27258 Rechtbank Den Haag 09-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3681 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1563 Rechtbank Gelderland 17-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2612 Gerechtshof Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2379 Gerechtshof Den Haag 10-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2379 Gerechtshof Den Haag 10-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2636 Gerechtshof Den Haag 29-10-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3338 Rechtbank Noord-Nederland 03-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1476 Gerechtshof Den Haag 06-08-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4613 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1036 Gerechtshof Den Haag 04-06-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1533 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-05-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2046 Gerechtshof Den Haag 17-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12991 Rechtbank Den Haag 29-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11477 Rechtbank Den Haag 06-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3460 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-04-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1035 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:573 Gerechtshof Den Haag 15-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2761 Rechtbank Den Haag 02-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1756 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-02-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:200 Gerechtshof Den Haag 24-01-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2444 Gerechtshof Den Haag 29-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2444 Gerechtshof Den Haag 29-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1745 Gerechtshof Den Haag 18-08-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1744 Gerechtshof Den Haag 18-08-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:592 Rechtbank Noord-Nederland 10-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:308 Gerechtshof Den Haag 01-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2593 Gerechtshof Den Haag 22-12-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2593 Gerechtshof Den Haag 22-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10844 Rechtbank Den Haag 06-10-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1384 Gerechtshof Den Haag 09-06-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:2461 Rechtbank Gelderland 17-05-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:3780 Rechtbank Den Haag 13-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:670 Gerechtshof Den Haag 08-04-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:4905 Rechtbank Den Haag 07-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:546 Gerechtshof Den Haag 09-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:388 Gerechtshof Den Haag 09-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2020:794 Gerechtshof Den Haag 31-03-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2019:5623 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-12-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3616 Gerechtshof Den Haag 20-11-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3616 Gerechtshof Den Haag 20-11-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3006 Gerechtshof Den Haag 05-11-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:7300 Rechtbank Den Haag 22-07-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2190 Gerechtshof Den Haag 10-07-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:12652 Rechtbank Den Haag 24-10-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:4896 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-08-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1972 Gerechtshof Den Haag 01-08-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3352 Gerechtshof Den Haag 15-11-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2017:2627 Rechtbank Noord-Nederland 18-07-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1060 Gerechtshof Den Haag 19-04-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (4.995 tekens)
15 juni 2012
nr. 11/03392
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 juni 2011, nrs. P08/01282 tot en met P08/01286, betreffende (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1999 tot en met 2002 (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, welke (navorderings)aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/7165 tot en met AWB 07/7169) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende was in de onderhavige jaren directeur en aandeelhouder van een aantal vennootschappen. In één van deze vennootschappen worden verzekeringsactiviteiten ontplooid. Belanghebbende verricht vanaf 2001 op fulltime basis werkzaamheden voor deze vennootschap. Voor die tijd was hij elders in loondienst werkzaam.
In 1999 is belanghebbende begonnen met het fokken en verkopen van paarden (hierna: de paardenfokkerij). De hieruit voortvloeiende verliezen heeft belanghebbende in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de onderhavige jaren als (negatieve) winst uit onderneming verantwoord.
3.2. Het Hof heeft onderschreven het door de Rechtbank gegeven oordeel dat de paardenfokkerij geen bron van inkomen vormt en heeft de daartoe door de Rechtbank gebezigde overwegingen tot de zijne gemaakt.
3.3. De middelen 1 en 2 komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel dat de paardenfokkerij geen bron van inkomen vormt.
Voor zover in de middelen wordt betoogd dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting welke nodig is voor het bestaan van de bron winst uit onderneming geen betekenis toekomt aan de feitelijk behaalde resultaten zoals die achteraf blijken, falen zij aangezien die resultaten wel licht kunnen werpen op het antwoord op die vraag (vgl. HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, LJN BP5707, BNB 2011/246).
Het Hof heeft blijkens onderdeel 6.2 van zijn uitspraak, onder verwijzing naar hetgeen de Rechtbank heeft overwogen, onder meer aangaande het ontbreken bij belanghebbende van voldoende specifieke voor de paardenfokkerij benodigde deskundigheid, het ontbreken van een bedrijfsplan, en de in de onderhavige jaren behaalde negatieve resultaten, geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de paardenfokkerij geen bron van inkomen van belanghebbende vormde aangezien daarvan reeds bij aanvang een positief voordeel niet te verwachten viel, en bij zijn oordeel mede in acht genomen hetgeen door belanghebbende in hoger beroep is aangevoerd. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard en berustend op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij verdient opmerking dat het Hof niet was gehouden om alle door belanghebbende voor zijn standpunt aangevoerde argumenten afzonderlijk te weerleggen. De middelen falen derhalve ook voor het overige.
3.4. De middelen 3 en 4 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2012.
nr. 11/03392
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 juni 2011, nrs. P08/01282 tot en met P08/01286, betreffende (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1999 tot en met 2002 (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, welke (navorderings)aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/7165 tot en met AWB 07/7169) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende was in de onderhavige jaren directeur en aandeelhouder van een aantal vennootschappen. In één van deze vennootschappen worden verzekeringsactiviteiten ontplooid. Belanghebbende verricht vanaf 2001 op fulltime basis werkzaamheden voor deze vennootschap. Voor die tijd was hij elders in loondienst werkzaam.
In 1999 is belanghebbende begonnen met het fokken en verkopen van paarden (hierna: de paardenfokkerij). De hieruit voortvloeiende verliezen heeft belanghebbende in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de onderhavige jaren als (negatieve) winst uit onderneming verantwoord.
3.2. Het Hof heeft onderschreven het door de Rechtbank gegeven oordeel dat de paardenfokkerij geen bron van inkomen vormt en heeft de daartoe door de Rechtbank gebezigde overwegingen tot de zijne gemaakt.
3.3. De middelen 1 en 2 komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel dat de paardenfokkerij geen bron van inkomen vormt.
Voor zover in de middelen wordt betoogd dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting welke nodig is voor het bestaan van de bron winst uit onderneming geen betekenis toekomt aan de feitelijk behaalde resultaten zoals die achteraf blijken, falen zij aangezien die resultaten wel licht kunnen werpen op het antwoord op die vraag (vgl. HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, LJN BP5707, BNB 2011/246).
Het Hof heeft blijkens onderdeel 6.2 van zijn uitspraak, onder verwijzing naar hetgeen de Rechtbank heeft overwogen, onder meer aangaande het ontbreken bij belanghebbende van voldoende specifieke voor de paardenfokkerij benodigde deskundigheid, het ontbreken van een bedrijfsplan, en de in de onderhavige jaren behaalde negatieve resultaten, geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de paardenfokkerij geen bron van inkomen van belanghebbende vormde aangezien daarvan reeds bij aanvang een positief voordeel niet te verwachten viel, en bij zijn oordeel mede in acht genomen hetgeen door belanghebbende in hoger beroep is aangevoerd. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard en berustend op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij verdient opmerking dat het Hof niet was gehouden om alle door belanghebbende voor zijn standpunt aangevoerde argumenten afzonderlijk te weerleggen. De middelen falen derhalve ook voor het overige.
3.4. De middelen 3 en 4 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2012.